Recensie

Recensie Boeken

Hoe Assad met zijn martelkelders heel Syrië terroriseert

Syrische goelag Syrië is doordrenkt van overheidsgeweld en Assads gevangenissysteem is berucht. Een hoogleraar en een activist schreven er een gruwelijk boek over. Maar een literair schrijver trekt de lezer nog dieper de hel in.

Foto’s van Syriërs die zijn gemarteld door het regime van Bashar al-Assad staan tentoongesteld in het VN-hoofdkwartier in New York op 12 maart 2015.
Foto’s van Syriërs die zijn gemarteld door het regime van Bashar al-Assad staan tentoongesteld in het VN-hoofdkwartier in New York op 12 maart 2015. Foto Cem Ozdel / Getty Images

Achterin het boek De Syrische goelag staat een overzichtelijke appendix met marteltechnieken. Zoals het ‘vliegend tapijt’. Dat is een houten plank waaraan de gevangene met vier ledematen wordt vastgebonden, die de folteraar vervolgens vanuit het midden dichtklap. De ‘Duitse stoel’ is een techniek waarbij de gevangene met zijn gezicht op de grond ligt, aan de rugleuning van een stoel wordt vastgebonden, en vervolgens één voor één zijn ruggenwervels breekt doordat de beul de stoel langzaam overeind zet. In het beste geval raak je hiervan tijdelijk verlamd. Bij ‘brandend strijken’ wordt nylon of plastic gesmolten tegen de huid van de gevangene. Bij de ‘piramide’ worden zoveel mogelijk gedetineerden op elkaar gestapeld, waardoor de onderste zijn ribben breekt. Of overlijdt. ‘Kruisiging’ spreekt voor zich.

Het boek van Ugur Ümit Üngor, hoogleraar Holocaust- en genocidestudies aan de UvA, en Jaber Baker, schrijver en mensenrechtenactivist, is niet makkelijk om te lezen. Het beschrijft vijftig jaar gevangeniswezen in Syrië, van 1970 tot 2020, onder de presidenten Hafez en Bashar al-Assad, vader en zoon. Zo’n overzichtswerk is een unicum. Er is hier en daar zeker bericht over de Syrische martelgevangenissen (de laatste jaren niet in het minst door NRC, waar de schrijvers ook naar verwijzen) maar een uitgebreide studie ontbrak. Dat is ook niet zo gek, dergelijke regimes laten zich niet van harte WOB’en of door wetenschappers doorlichten. Dat dit boek er nu toch ligt, heeft de wrange reden dat sinds de revolutie in 2011 talloze Syriërs gevlucht zijn die hun verhaal willen doen.

Het gevangenissysteem vindt zijn oorsprong in 1970. Hafez al-Assad heeft dan met een bloedige coup de macht weten te grijpen, en begint een campagne om zijn belangrijkste politieke tegenstanders te laten verdwijnen. Dat wil zeggen: opsluiten, folteren, executeren. Met name islamisten en communisten moeten het ontgelden. Üngor en Baker beschrijven uitgebreid hoe er door de jaren heen verschillende, met elkaar concurrerende veiligheidsdiensten ontstaan, waarmee Bashar al-Assad zijn greep op de samenleving consolideert. ‘Het regime wilde elke zweem van oprechte politiek uit de samenleving zuiveren, omdat het in oorlog was en is met zijn eigen samenleving. Zo gebruikte het Assad-regime de goelag om zijn samenleving te vormen en te kneden.’

Lees ook: Hoe een Arnhemmer verdween in een martelcel van Assad

De term ‘goelag’, oorspronkelijk de naam van de overheidsdienst die in de Sovjet-Unie het kampensysteem overzag, is volgens de schrijvers van toepassing omdat het Syrische gevangeniswezen even uitgebreid is, even dodelijk, en omdat het een buitensporige invloed uitoefent op de samenleving als geheel. Ze stellen dat het Assad-regime de kunst van arrestatie en opsluiting dusdanig vervolmaakt heeft, dat de goelag intrinsiek onderdeel is geworden van de Syrische identiteit. Iedere Syriër krijgt met de gevolgen te maken, door het effect op families, door sociale uitsluiting, trauma’s, of alleen al angst. Het land is doordrenkt van overheidsgeweld. Zelfs in een regio die geplaagd wordt door autoritarisme, is Assads goelag berucht.

Het systeem bevindt zich volgens de auteurs in ‘de grijze zone’ tussen concentratiekampen en gevangenissen. De detentiecentra zijn nooit ‘pure’ vernietigingskampen, maar door het excessieve geweld kunnen de schrijvers in hun slot niets anders concluderen ‘dan dat het gevangenissysteem van Assad niet alleen bestaat om mensen gevangen te zetten, te disciplineren en te straffen, maar ook om hen te vernietigen’.

Arrestatiecampagne

Dat is geen vreemd eindoordeel. In het tweede deel van het boek behandelen ze de specifieke gevangenissen. Er zijn vier soorten: naast de inlichtingengevangenissen zijn er militaire, civiele en geheime. De militaire gevangenissen Messe, Tadmor en Saydnaya zijn het beruchtst, en lijken in feite meer op kampen. Samen vormen die drie ‘een ware topografie van terreur in Syrië’. ‘Het geweld dat het Assad-regime op deze plaatsen heeft gepleegd, werd op geen enkel ander punt in de Syrische geschiedenis geëvenaard.’

Saydnaya, waar Jaber Baker zelf tussen 2002 en 2004 opgesloten zat, werd na de opstand in 2011 een plek van ‘uitroeiing’. Tussen de 5.000 en 10.000 gevangenen werden er tussen 2011 en 2015 geëxecuteerd.

De arrestatiecampagne van 2011 veroorzaakte sowieso een enorme nieuwe toevoer aan gevangenen, met catastrofale gevolgen. Het boek staat vol met getuigenverslagen van uithongering, medische nalatigheid, seksueel geweld en de meest gruwelijke marteling. Eindeloos veel marteling. En waarvoor? Wat is de functie van al die foltering? Het is nauwelijks bedoeld om informatie uit gevangenen los te krijgen, schrijven Üngor en Baker. Beulen weten heel goed dat er niets te halen valt. Het is een kwestie van disciplineren, straffen en het breken van mensen. En, doordat die verhalen ook de wereld buiten de gevangenis bereiken, het terroriseren van de samenleving als geheel.

Daarbij merken ze op dat het martelsysteem zichzelf op een perverse manier in stand houdt. In de cultuur van concurrerende instanties kan je met veel folteren je trouw aan Assad showen. Het systeem heeft gevangenen en dus vijanden nodig om te blijven functioneren. Nog cynischer is misschien de constatering dat het arresteren en martelen een verdienmodel is geworden. Familieleden zijn bereid grof te betalen voor informatie over hun geliefde, of een iets betere behandeling.

Ambitieus en urgent

Een ambitieus, uniek en urgent boek is het, en er is duidelijk veel moeite gedaan om het voor de lezer behapbaar te maken. Met paginagrote tekeningen en literaire intermezzo’s van persoonlijke verhalen; alles om het tot leven te brengen. Dat neemt niet weg dat voor een publieksboek de uiteenzetting van de structuren van de verschillende veiligheidsdiensten redelijk taai is, en het resultaat toch eerder een naslagwerk is dan een leesboek. En zo zijn er meer mankementen, met name omdat er onnodige fouten in staan. Er wordt verwezen naar een schema op pagina 38 dat er niet is. Er staan vreemde formuleringen in, zoals over een ruimte ‘vervuld van kettingen’ of over een ‘kernpilaar’ van de goelag. De hoofdstukindeling zoals aangekondigd in de inleiding klopt niet. Het lijkt te haastig in elkaar gezet, zowel qua structuur als vertelstijl. Kortom, hier had een redacteur moeten ingrijpen. Zonde.

Gelukkig, al klinkt dat woord hier nogal misplaatst, is er nog een boek verschenen dat het Syrische gevangeniswezen dichterbij brengt. De schelp, de beroemde roman van Mustafa Khalifa uit 2008, is nu eindelijk in het Nederlands vertaald, door Djûke Poppinga. Üngor vertelde in de marge van een interview voor deze krant dat hij bang was voor dit werk. Zo invoelbaar beschrijft het wat Assads goelag bij mensen aanricht.

Khalifa vermengde voor deze roman zijn eigen gevangeniservaringen met die van een vriend. Een anonieme verteller drinkt een biertje op het vliegveld van Parijs met zijn vriendin, hij staat op het punt om na zes jaar in Frankrijk te hebben gewoond eindelijk naar zijn vaderland terug te keren. In Damascus wordt hij bij aankomst opgepakt.

Ze denken dat hij lid is van de Moslimbroederschap, maar hij is christen, dus dat moet een misverstand zijn. Niet dat het iets uitmaakt. Hij zal er wel niet voor niets zitten. Er volgt een gevangenschap van dertien jaar, waarvan twaalf in Tadmor, de beruchtste van alle kampen. Een soort Kafka dus, maar dan met heel veel bloed.

Dat hij zegt atheïst te zijn maakt het bovendien alleen maar erger voor de verteller. Hij wordt genegeerd door de andere gevangenen. Om te overleven trekt hij zich terug in zijn ‘schelp’ en spreekt niet meer. Hij observeert en gluurt.

Direct bij de eerste geweldsbeschrijving vraag je je af: waarom lees ik dit eigenlijk? De brokjes menselijk vlees vliegen door de lucht. Khalifa doet de lezer naar adem happen, in elkaar krimpen, tussen de wimpers de bladzijde scannen, en laat je dan weer even op adem komen. Alleen al de scheerscène wil je eigenlijk niet lezen, met al het gespuug, het openhalen van het gezicht en hoofd, het bloed dat eruit spuit, het slaan, het gescheld, je wordt er onpasselijk van. En dat is nog niet eens een martelsessie, massale executie of verkrachting.

Soldaten van het Vrije Syrische Leger tonen op 23 april 2013 een kamer waar politieke gevangenen werden opgehangen door het Assad-regime in de centrale gevangenis in Darkoush. Foto Gallo Images / The Times / Esa Alexander

Vreemde vertrouwdheid

Toch is het een boek dat je in één nacht uitleest. Arnon Grunberg schreef ooit al dat de vraag wat literatuur vermag, in kampliteratuur tot zijn uiterste grens wordt gedreven. Dat geldt ook hier. Wie een beetje thuis is in het genre, voelt een vreemde vertrouwdheid met Khalifa’s proza. Een bepaalde terughoudendheid, kaalheid, afgestomptheid. Hij heeft een kalme en daarmee huiveringwekkende toon.

De Sovjet-goelag kennen we door Alexander Solzjenitsyn en Varlam Sjalamov, de Shoah door Primo Levi en Tadeusz Borowski. De Syrische gevangenissen zullen dus ook tot ons moeten komen via kampliteratuur. Al wordt er wel gezegd dat álle Syrische literatuur gevangenisliteratuur is, want het land is toch één grote gevangenis.

Khalifa observeert net als Borowski met een wrang soort humor: ‘Al deze mensen hadden nu twee dingen gemeen: dat ze een universitair diploma hadden en dat ze rioolwater hadden gedronken.’ En hij schetst een fascinerend beeld van het samenleven in een cel, van al die verschillende groepen die daar zitten. Hij komt met 300 man in een cel van vijftien meter lang en zes meter breed. Het zijn voornamelijk moslims van allerlei pluimage en overtuiging, die het samen moeten zien te rooien.

In De Syrische goelag wordt Varlam Sjalamov aangehaald, vanwege diens literaire beschrijving van de Sovjet-Goelag, en diens belangrijke les dat de mens in zo’n situatie in een beest verandert. Maar het valt in De schelp juist op hoe de gevangenen hun eigen samenlevingsvorm bouwen in de cel. Eerlijk delen, inzamelingen doen voor een operatie, elkaar helpen. De verteller wordt zelfs verliefd op een van de medegevangenen. ‘Door zijn eenvoud en fijngevoeligheid zag ik hem, helder en stralend, als een witte bladzijde onder een felle lamp. Binnen een paar dagen drong hij mijn ziel binnen, die hij brak, vermorzelde en kneedde met zijn geest en zijn lichaam. Hij versmolt met mij.’ Maar hij vreest die gevoelens.

Op den duur leert de verteller dat je de zweepslagen niet moet tellen, dat werkt averechts. En: ‘Zelf gemarteld worden is minder erg dan dag en nacht de pijnkreten van anderen te moeten aanhoren.’

De lezer leert op zijn beurt een hoop dat ook in het boek van Baker en Üngor genoemd wordt. Niet alleen duiken de inmiddels bekende marteltechnieken op, zoals het vliegend tapijt, de functie van de gevangenissen wordt soms expliciet benoemd. ‘Eigenlijk beschouwen ze ons als een soort gijzelaars met wie ze druk kunnen uitoefenen op de mensen buiten.’ Maar vooral wordt de psychologische impact van gevangenschap voelbaar. Daarom is het goed om de twee boeken samen te lezen, want literatuur vervult een rol die wetenschap nooit zal kunnen spelen.

Al lezend is het gekmakend om terug te denken aan de wijze waarop ook Nederlandse politici Assad hebben goedgepraat (‘hij heeft ook een moeilijk land te besturen’). Of hoe simplistisch er in het maatschappelijk debat soms werd gedacht over Assad en IS: Assad was dan misschien geen lieverdje, maar IS, dat waren de monsters. Wie De schelp leest, weet beter. Assad en zijn vader liepen met hun gruwelen enkel minder te koop. En wie De Syrische goelag leest, weet dat IS alleen kon dromen van deze schaal van dood en verderf.

Hoe misselijkmakend de gebeurtenissen in de gevangenis ook zijn, de grootste klap van De schelp zit niet in een martelscène. Die komt na de vrijlating. De foltering is voorbij, de verteller is vrij en probeert door te gaan met zijn leven. Maar hij is gebroken. Hij komt niet meer uit zijn schelp. De laatste paar pagina’s zijn hartverscheurend hopeloos.

Zowel De schelp als De Syrische goelag laat de lezer achter met het diepe besef dat dit geen afgerond verhaal is. Niet voor de mensen die gevlucht zijn, Nederlandse staatsburgers met ernstige psychische klachten die afgeperst worden of hier hun folteraars tegenkomen, en niet voor de Syriërs in Syrië. Üngor en Baker schrijven zelfs dat het feit dat er geen oorlog meer woedt in Syrië eigenlijk alleen maar meer geweld betekent, omdat het de ‘stille uitroeiing in de goelag laat voortduren.’ Recente satellietbeelden laten zien dat er zonnepanelen zijn geplaatst op het dak van Saydnaya. De crematoria draaien duurzaam door.

Lees ook: Eerst Assads strijder, nu asiel in Nederland