Opinie

Engagement is sentimentaliteit overgoten met de saus van een slecht geweten

Essay | Literatuur Zijn schrijverschap zal onveranderlijk naar verboden plekken blijven brengen. Dat beloofde hij in zijn dankwoord bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs.
Een Oekraïens meisje schiet met haar speelgoedwapen balletjes op een portret van Poetin in Lviv.
Een Oekraïens meisje schiet met haar speelgoedwapen balletjes op een portret van Poetin in Lviv. Foto Emilio Morenatti / AP

Toen Karel van het Reve in 1982 op het Muiderslot zijn P.C. Hooftprijs aanvaardde – Annie M.G. Schmidt zat in de jury, Rudy Kousbroek was voorzitter – zei hij in zijn dankwoord dat het luisteren naar het juryrapport „heel aangenaam” was geweest, waarmee hij niet wilde zeggen dat hij alles wat in dat rapport stond onderschreef of billijkte.

Ik ben deze jury niet alleen erkentelijk dat ze mij deze prijs hebben toegekend, ik ben minstens zo blij dat het juryrapport buitengewoon lezenswaardig was. Menig juryrapport doet namelijk vermoeden dat de jury bewust of onbewust erop uit was de laureaat te beledigen, en om de woorden van de New York Times-criticus A.O. Scott te parafraseren: menig juryrapport doet vermoeden dat de jury niet alleen niets van literatuur begrijpt, maar haar stiekem ook nog haat. Scott had het weliswaar over de academie die de Oscars uitreikt, maar het probleem is groter dan Hollywood.

Een vriend zei enkele weken geleden dat Karel van het Reve een luie denker was – op sommige gebieden, bijvoorbeeld als het om Freud ging, was Van het Reve inderdaad lui.

Toch wil ik Karel nog even aanhalen. Ik kan het niet laten; het grootste deel van zijn dankwoord gebruikte Van het Reve om te ageren tegen de kunstpolitiek van de Nederlandse socialisten in het begin van de jaren tachtig. In 1982 was de P.C. Hooftprijs immers nog een staatsprijs en daaraan kwam pas een eind toen Hugo Brandt Corstius hem in 1984 kreeg toegekend en de toenmalige minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Elco Brinkman, er tegenop zag om deze eerbiedwaardige prijs toe te kennen aan een man die het beledigen en vernederen van politici en andere mensen tot een van zijn belangrijke literaire wapenfeiten had gemaakt. Tegenwoordig zijn dergelijke beledigingen – zij het doorgaans met minder brille opgeschreven – aan de orde van de dag op sociale media, waaruit mag blijken dat verandering, die soms ook vooruitgang wordt genoemd, in de details zit.

‘Betrokkenheid’

Van het Reve ging in zijn dankwoord nader in op het woord ‘betrokkenheid’, een woord dat nog steeds in de mode is. Hij vroeg zich af of mensen echt geloven dat de betrokken kunstenaar of schrijver ervoor zal zorgen dat de NAVO, werkloosheid, kerncentrales en de EO zullen verdwijnen en er massaal windmolens zullen worden geplaatst.

Ook hieruit blijkt hoe weinig er is veranderd. Goed, over de NAVO zullen de meningen verdeeld zijn, gezien de oorlog in Oekraïne. En die windmolens zijn er inderdaad gekomen, maar of dat aan de geëngageerde kunstenaar ligt blijft de vraag.

Het gevaar van staatskunst, waar Karel nog voor vreesde, is niet echt geweken. In de kleine literaire en culturele wereld wordt graag consensus geveinsd. Daar dient men, zo heb ik de indruk, bepaalde aannames te onderschrijven om voor toetreding in aanmerking te komen dan wel om te voorkomen dat men geroyeerd wordt. Oorlog is slecht, lezen is goed, Rutte en het neoliberalisme zijn schoften, om maar een paar van de meest voor de hand liggende aannames te noemen. Zo zouden zomaar weer staatskunst en staatsliteratuur kunnen worden geproduceerd zonder dat er überhaupt een staat aan te pas hoeft te komen. Die vermeende consensus bestaat immers bij de gratie van het luie denken, het sentimentalisme dat in sommige kringen voor het literair gezien hoogst haalbare wordt gehouden is daar een ander product van.

Natuurlijk staat het eenieder vrij het sentimentalisme te omarmen, oftewel het aan te schaffen.

Het gevaar van staatskunst is niet echt geweken

In zijn dankwoord maakte Van het Reve er gewag van dat van de elf boeken die er van hem in 1981 op de markt waren 1.186 exemplaren waren verkocht, terwijl Toon Hermans in die tijd met duizenden boeken per dag over de toonbank ging. Hij vond dat de overheid het Nederlandse publiek op dit gebied vooral zijn gang moest laten gaan; zelf had hij ook weinig behoefte aan bekeringswerk. Dat neemt me nog altijd voor hem in, dat hij anders dan zijn broer Gerard niet over een winkel begon die draaiende gehouden diende te worden. De middenstandsmentaliteit, hoe begrijpelijk ook, is vroeg of laat altijd een vijand van de literatuur gebleken.

Overigens is het reëel bestaande moralisme weinig anders dan sentimentalisme overgoten met de saus van het slechte geweten.

In haar boek uit 2003 over met name oorlogsfotografie, Regarding the Pain of Others, trapt Susan Sontag dat sentimentalisme op de staart wanneer zij noteert dat de toen al populaire gedachte dat de werkelijkheid dankzij journalisten, oorlogsfotografen en ander gespuis een spektakel is geworden, getuigt van adembenemend provincialisme. In datzelfde essay noteert zij dat onze huidige ethische gevoeligheden voor een deel bestaan uit de overtuiging dat oorlog weerzinwekkend is maar voorkomen of gestopt kan worden, oftewel dat vrede de norm is en oorlog de uitzondering. Echter, stelt Sontag terecht, de geschiedenis leert ons dat oorlog de norm is en vrede de uitzondering. De opvatting dat de realiteit tot spektakel verwordt door toedoen van journalisten, of schrijvers, geeft inderdaad blijk van privileges, met name het natiestaatprivilege. Dat men hier woont en niet daar.

Geweld echter is een traditie, niet alleen daar, ook hier.

De onrust die sommige oorlogen in ons oproepen komt, zo zegt Sontag – en zij had het toen over de oorlog in het voormalige Joegoslavië –, doordat de meeste Westerlingen geloven dat die traditie in het Westen overwonnen zou zijn.

Lees ook: Blijft de mens altijd oorlog voeren?

Geweld

Nu kun je tegen geweld zijn, maar wie deze stelling serieus neemt zou bereid moeten zijn geweld te gebruiken om het te stoppen. Anders gezegd, geweld is een middel om een bepaald doel mee te bereiken. Walter Benjamin heeft er in zijn essay over de geschiedenis van het geweld, Kritik der Gewalt, helder op gewezen dat geweld veelal een middel is om een rechtvaardig doel mee te bereiken. Helaas zijn we het over die rechtvaardigheid niet altijd eens.

Natuurlijk zijn er psychopaten voor wie het geweld een doel op zich is, maar zij vormen een minderheid. Dat wij geneigd zijn onze vijanden psychopaten te noemen, hangt samen met de neiging alles en iedereen te medicaliseren, inclusief vijandschap. Dat is wederom te danken aan christendom en humanisme die ons ervan overtuigd hebben dat een wereld zonder vijanden binnen handbereik ligt. Als er dan per ongeluk eentje opduikt, schrikt men zo dat men meent dat de vijand niets anders dan een patiënt is die de juiste behandeling is misgelopen.

Kafka wist echter al dat de Messias altijd één dag te laat komt, namelijk net als hij niet meer nodig is. Zolang we ervan uitgaan dat de komst van de Messias de geweldloze wereld zal inluiden, moeten we concluderen dat een wereld zonder vijanden zijn intrede zal doen als de laatste vijand met veel geweld is verslagen.

De literatuur kent maar één serieus probleem: de afbeelding van dat geweld. En laten we de zorgen over de stiekeme verheerlijking van het geweld overslaan. Elke afbeelding van geweld is esthetisering ervan. De gedachte dat het kijken naar slachtoffers van dat geweld de kijker ervan zal doordringen dat aan dat geweld meteen een eind moet worden gemaakt, getuigt van weinig heldhaftige naïviteit, ook dat had Sontag scherp gezien.

Het gevaar zal altijd weer worden gezocht; het willen doen verdwijnen van elk gevaar is slechts de subtielste doodsdrift

Oorlog is de collectieve organisatie van agressiviteitsimpulsen, het collectieve overschrijden van een drempel, zoals Georges Bataille dat noemt. Tegenwoordig is het populair dan over giftige mannelijkheid te spreken. Ook hier geldt: wat niet mag bestaan wordt gemedicaliseerd. In de gauwigheid vergeet men dat de Messias, ook als hij zich verkleedt als geneesheer, altijd één dag te laat zal komen.

„In wezen vraagt religie om overtreding van de verboden”, schrijft Bataille. En voor religie kunnen we hier met een gerust hart ook ‘de moraal’ lezen, want of dat stelsel van geboden en verboden nu wordt aangedreven door een godheid of door de heiligverklaarde rede, doet er niet toe.

Een Oekraïense militair bij vernietigde auto’s in een buitenwijk van Kiev. Foto Emilio Morenatti / AP

Zowel de liefdesdaad als de roman zijn volgens Bataille offers. „Het offer is een roman”, schrijft hij, „een sprookje dat op bloedige wijze wordt geïllustreerd.” Wat dit offer, de liefdesdaad én de collectieve organisatie van agressiviteitsimpulsen, altijd weer onthullen, is het vlees. Het lichaam dat wij zijn en waaraan wij telkens weer proberen te ontsnappen – ook die ontsnappingspoging is een grensoverschrijding.

De roman als het podium voor verlangens en angsten, als de enscenering van de overtreding, als illustratie bij het inzicht dat leven verspilling is. Waaraan moet worden toegevoegd dat het gevaar altijd weer zal worden gezocht, en het willen doen verdwijnen van elk gevaar slechts de subtielste doodsdrift is. Immers, waar elk gevaar is geweken, heeft de dood zijn intrede gedaan.

Sontag stelt het anders, maar niet minder scherp: niemand boven een bepaalde leeftijd heeft het recht om verbaasd te zijn dat verdorvenheid bestaat, niemand boven een bepaalde leeftijd heeft het recht op deze onschuld, deze oppervlakkigheid, deze vergeetachtigheid.

Betrokkenheid is medeplichtigheid

Iemand die mij verder heeft geholpen bij het denken over de afbeelding van geweld is de Israëlische kunstenaar Roee Rosen. Een deel van zijn film Kafka for Kids gaat over de vraag wat een kind is. De vraag wordt gesteld in de context van de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever en het opsluiten van kinderen in gevangenissen. In de film is er sprake van twee personen. De ene probeert het leven van de slachtoffers van de bezetting te bemoeilijken, de andere probeert hun leven draaglijker te maken. Als de bezetting een auto is, wordt er vervolgens in de film gezegd, is de ene persoon de rem en de andere het gaspedaal. Maar om een auto te laten rijden heb je zowel rem als gaspedaal nodig.

Betrokkenheid, dat woord waar Karel van het Reve zich nogal over opwond, zal dikwijls geveinsd zijn, dat is niet meer dan begrijpelijk. De betrokken of activistische kunstenaar is echter altijd ook de rem of het gaspedaal, daarmee zal hij bijdragen aan het laten rijden van de auto, die hij beweert te willen ontregelen of zelfs tot stilstand wenst te brengen.

Oftewel, betrokkenheid is veelal weinig anders dan medeplichtigheid. De afbeelding van het geweld is noodzakelijk, veinzen dat het er niet zou zijn, is leven in een leugen. Maar het geweld kan nooit worden afgebeeld vanuit een positie van onschuld, hooguit zijn er gradaties van medeplichtigheid. Een medeplichtigheid die wij niet terstond moeten toedekken met de lappendeken van spijt, excuses, schuld en schaamte. Het jargon van de verontwaardiging en de spijtbetuigingen die daar veelal op volgen, zwengelt vooral de pruttelende machine van het luie denken aan.

Lees ook dit artikel van Hans Achterhuis: De mens is nou eenmaal verslaafd aan geweld

„Elke gemeenschap is een gemeenschap van het geweld”, schreef ik in mijn boekje Vriend & vijand, „dat wordt herdacht, dat wordt verheerlijkt, dat ritueel wordt uitgedreven, of dat juist wordt ontkend als een familiegeheim waarover niet mag worden gesproken.”

Elizabeth Costello, geschapen door John Coetzee, maant de schrijvers de verboden plekken niet te betreden, ze neemt „het verbod op verboden plekken” serieus. Ze vindt dat een kunstenaar niet zou mogen binnendringen „in de dood van anderen”. Het vlees dat dan onthuld wordt, vindt Costello ondraaglijk.

Ik begrijp haar indringende waarschuwing, ik meen echter ook dat de schrijvers, dat de schrijver die ik wil zijn, of die ik tegen wil en dank ben geworden, geen keus heeft dan te blijven cirkelen om de verboden plekken zoals een moeder om haar kind.