Eindigen op het kerkhof van Veldzicht is wat de tbs’er vreest

Zorgconferenties Steeds meer tbs’ers zitten langdurig vast: bijna een kwart langer dan 15 jaar. Wie zijn ze en waarom is dat? De ‘klik’ met een behandelaar speelt een rol.

Een comfortroom in een tbs-kliniek. Het aandeel patiënten dat langdurig in de tbs verblijft, neemt toe.
Een comfortroom in een tbs-kliniek. Het aandeel patiënten dat langdurig in de tbs verblijft, neemt toe. Foto Olivier Middendorp

Terugkeer naar de samenleving, dat is wat vrijwel elke tbs’er hoopt. En zijn grootste vrees? Voor altijd vast. Rondgepompt van kliniek naar kliniek omdat niemand meer weet wat ze met je aan moeten totdat er „uitbehandeld” op je voorhoofd staat en je eindigt op het kerkhof van de – inmiddels opgeheven – Rijksinrichting Veldzicht. Ter beschikking gesteld aan de staat, en nooit meer teruggegeven.

Het aandeel patiënten dat langdurig in de tbs verblijft neemt toe. In 2013 zat ruim 14 procent langer dan vijftien jaar vast, in 2017 was dit aandeel gestegen tot 21,5 procent en vorig jaar was het ruim 22 procent. In aantal: 332 van de 1499 tbs-gestelden, van wie een kwart in de Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg (LFPZ) en driekwart in een reguliere kliniek. De cijfers zijn gepubliceerd in het kader van een deze maand verschenen onderzoek op verzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) naar het effect van zorgconferenties.

Lees ookTbs’er Jan had het wel op een rijtje, dacht de reclassering

Persoonskenmerken

Zo’n conferentie, waarbij de ‘langverblijver’ met de kliniek en het ministerie aan tafel zit om een behandelimpasse te doorbreken, bestaat sinds 2017.

Wie zijn de tbs’ers die al zo lang vast zitten? En waarom zijn het er steeds meer?

De onderzoekers brachten honderd langverblijvers in beeld die aan een zorgconferentie hadden deelgenomen. Een opvallende uitkomst, zegt Michiel van der Wolf, een van de onderzoekers, tevens hoogleraar forensische psychiatrie aan de Universiteit Leiden, was dat patiënten die meer dan vijftien jaar in de tbs verblijven op grove persoonskenmerken niet opvallend verschillen van tbs’ers die er korter zitten – de gemiddelde behandelduur ligt rond de acht jaar. Ja, er zaten onder de langverblijvers relatief iets meer zedendelinquenten (42 procent) en iets minder brandstichters (6 procent), en de gemiddelde leeftijd lag met 55 jaar hoger (logisch) en velen hadden een verleden van „vallen en opstaan” (19 tbs’ers verbleven in zeven of meer klinieken), maar verder zagen de onderzoekers geen verschil.

Niet in delict, niet in diagnose, niet in gedrag. Van der Wolf: „Dat betekent dat niet alleen persoonskenmerken bepalen of iemand verder komt in het tbs-systeem. Het zijn ook de kenmerken van het systeem zélf.”

Het ‘Michael P.-effect’

Oorzaak van het groeiend aantal langverblijvers is in de studie niet onderzocht, maar Van der Wolf heeft wel vermoedens. Zo neemt het aantal tbs-opleggingen de laatste jaren flink toe en de tolerantie voor tbs’ers in de samenleving af – het „Michael P-effect” genoemd. De dood van Anne Faber door Michael P. in 2017 zorgde voor een schok in de samenleving. Het systeem is niet berekend op de capaciteitsdruk met als gevolg dat patiënten langer moeten wachten op een vervolgstap, zoals verlof of een doorstroomlocatie. Ook beëindigen rechters, huiverig voor incidenten, minder snel een tbs-maatregel.

En misschien hebben tbs-klinieken de patiënt ook niet altijd goed genoeg in het oog. Maatwerk is nodig, juist omdat individuele omstandigheden in de behandeling soms het verschil maken, zoals ‘de klik’ die een tbs’er kan hebben met een behandelaar. Dat pleit volgens Van der Wolf niet alleen voor een what works-benadering, maar ook voor who works. „Inzetten op personeel dat de tbs’er écht in het oog heeft. Maar aan personeel is in de tbs de laatste jaren gebrek.”

Contact met het ministerie

Het belang van die ‘klik’ zag hij terug bij de zorgconferenties. Daarbij spreken vastgelopen patiënten in één sessie met iedereen die betrokken is bij de behandeling, van advocaat tot sociotherapeut. En ook iemand van het ministerie zit erbij, die namens de staat beslist over relevante zaken voor het verloop van de maatregel, zoals een verlofaanvraag of een overplaatsingsverzoek.

„Normaal spreekt een tbs’er nooit met zo iemand”, zegt Van der Wolf. „Alle contact met het ministerie verloopt via de kliniek of de advocaat. En op zo’n conferentie kijken beiden elkaar voor het eerst in de ogen en zien ze dat er een méns achter zit. Dat helpt, voor beide partijen.”