Marit Törnqvist

Foto Roger Cremers

Interview

‘Door de diversiteitsdiscussie lopen wij als makers op eieren’

Marit Törnqvist Waar ligt de grens? Oftewel: wiens verhaal mag je als kunstenaar vertellen? Woensdag hield illustrator en schrijver Marit Törnqvist de Annie M.G. Schmidtlezing over culturele diversiteit in kinderboeken. „Kunst maken betekent risico lopen.”

‘De grens van de verbeelding, waar ligt die? Toen ik eind vorig jaar werd gevraagd of ik de Annie M.G. Schmidtlezing wilde verzorgen, wist ik direct dat die vraag mijn vertrekpunt zou zijn”, vertelt Marit Törnqvist. „De discussie over het belang van culturele diversiteit in kinderboeken, in een tijd waarin zo ongelofelijk veel verschillende mensen met zoveel verschillende achtergronden opeens bij elkaar komen, is momenteel de allerbelangrijkste in ons vakgebied, maar hij wordt letterlijk te zwart-wit gevoerd. Het idee dat iedereen zich gerepresenteerd moet voelen in de literatuur is natuurlijk een prachtig streven. Maar ja, wie gaat al die verhalen dan vertellen, als tegelijkertijd velen van ons ervaren dat we geen verhalen kunnen maken over mensen uit een cultuur waartoe we zelf niet behoren?”

Het is een dag na de feestelijke boekpresentatie van Törnqvists nieuwe prentenboek Schildpad en ik – een licht surrealistisch verhaal over een man die aan zijn kleinzoon vertelt hoe hij als jongetje een schildpad kreeg en hoe het dier tijdens de zoektocht naar zijn roots onderdeel van zijn identiteit werd. Maar eerst spreken we over haar lezing, getiteld ‘Waar ligt de grens?’, en over de vraag wiens verhaal je als kinderboekenmaker mag vertellen. Dat doen we in Törnqvists zolderatelier in een karakteristiek grachtenpand in Amsterdam. De figuratieve prenten die er hangen verraden echter dat Zweden niet ver weg is. Daar, in haar geboorte- en vaderland, begon Törnqvist haar carrière als illustrator van Astrid Lindgren en ontwierp ze ook het decor van het kindermuseum Junibacken, waar Lindgrens verhalen worden verbeeld. Pas later maakte ze in Nederland furore, met onder andere de dichtbundel Jij bent de liefste (2000) van Hans en Monique Hagen en eigen prentenboekenverhalen als Klein verhaal over liefde (1996) en Het gelukkige eiland (2017). „Een kind uit twee werelden”, noemt ze zichzelf.

Gepassioneerd vertelt de gelauwerde prentenboekenmaker, die bovendien naam maakt als internationale leesbevorderaar, over haar zorgen over „fort Europa” waar „de hekken steeds hoger worden en mensen selectief worden binnengelaten en tegelijkertijd vurig wordt gepleit voor meer diversiteit”.

„Dit vind ik”, zegt Törnqvist, „een wrange tegenstelling. Waarmee ik niet wil zeggen dat wij kinderboekenmakers geen gehoor willen geven aan die behoefte aan meer culturele diversiteit. Dat willen we enorm graag. En het moet ook. Alleen: hoe moeten wij dit doen? In wie mag en kun je je inleven? En ook: moet iedereen dit doen? Voor mijzelf geldt: ik vertel altijd mijn eigen verhaal, vanuit wat ik voel of denk. Ik kan niet anders. Maar ik ken collega’s die vinden dat ze dat niet langer kunnen maken, dat die verhalen, vanuit hun geprivilegieerde witte perspectief verteld, niet meer van deze tijd zijn. Tegelijkertijd achten ze zich onvoldoende in staat om het verhaal van de ander te vertellen, door het oprechte respect dat ze voelen voor een cultuur die niet de hunne is. En degenen die dit wel aandurven, worstelen met de vrees voor het verwijt van culturele toe-eigening. We lopen als makers op eieren en sommigen van ons zitten klem. De diversiteitsdiscussie dreigt de creativiteit te verstikken.”

‘Met één drupje verf was het een politiek geladen boek geworden’

Maar is juist de wereld van de kunst niet grenzeloos?

„Dat is zo, ja. Kunst is in beginsel absoluut grenzeloos. Tegelijkertijd zitten er van nature grenzen in ons allemaal. Alleen hoe we die trekken verschilt per individu. In mijn lezing citeer ik bijvoorbeeld Stefan Hertmans, die vindt ‘dat literatuur moet bewijzen dat empathie bestaat. Dat is de opdracht’. Ik vind dat mooi. Het toont dat er, ook bij ons schrijvers, sprake is van een grote diversiteit. Niet alleen wat betreft culturele achtergrond, maar in hoe we in het leven staan en in hoe we in ons werk voortdurend zoeken naar wat we wel en niet kunnen vertellen. Juist dat grensgebied is voor de kunst het meest interessant. Kunst maken betekent risico lopen. Als je dit niet meer kunt doen, dan creëer je vanuit angst, en wordt alles mak. Daarom moet je uiteindelijk altijd luisteren naar wat de stem in jezelf te vertellen heeft. Een vereiste is daarbij wel dat we ons bewust zijn van wat er in de wereld gebeurt en dat we ons openstellen voor de ander. Wie met oogkleppen op rondloopt vervalt in clichés en kan grof over grenzen heen gaan.”

Die van de lezer?

„Ja. Al realiseer ik mij, vanuit eigen ervaring in binnen- en buitenland, dat er geen lezer hetzelfde is. Zo reageerden de kinderen op een literatuurfestival in Nairobi heel anders op mijn boeken dan de kinderen die ik later in een aardbevingsgebied in Iran bezocht. In Nairobi voelde ik hoe ze zochten naar boeken over kinderen van kleur en andere titels lieten liggen. In Iran ervoer ik hoe kinderen zich totaal identificeerden met het meisje uit Het gelukkige eiland dat op een zelfgebouwd vlot op zoek is naar geluk, terwijl ze eerst geen idee hadden wat een zee was. Mogelijk komt het verschil in reactie doordat de Iraanse kinderen een boekenachtergrond hadden. Misschien hielp het ook dat ze qua uiterlijk meer op mijn boekenpersonages leken dan de kinderen uit Nairobi. Dit soort verschillen, in uiterlijk en leeservaring, laten zien hoe ingewikkeld het is een boek voor iedereen te maken.”

Bestaat er dan eigenlijk wel zoiets als universele zeggingskracht?

„Ik denk dat je moet spreken over universele emoties. Kinderen van over de hele wereld kennen eenzaamheid, hoop, moed, angst. Als een verhaal om dat soort gevoelens draait, kan iedereen het als een spiegel ervaren. Maar welke van die emoties je weerspiegeld ziet, is afhankelijk van waar je woont en wat je hebt meegemaakt. Je vergroot sowieso de herkenbaarheid als je verhalen niet gebonden zijn aan tijd en plaats. Bij Schildpad en ik heb ik daar nu ook weer bewust voor gekozen.

„Beeld heeft echter minder universele vertelmogelijkheden dan taal, het wordt gauw specifieker. Daarom concentreer ik met altijd op hoe ik via kleuren, licht en compositie lading kan geven aan mijn beeld. Maar zelfs dan kan beeld het identificeren – wat trouwens iets anders is dan inleven – beperken. Dat realiseerde ik me terwijl ik de lezing schreef. Aanvankelijk wilde ik die beginnen met de openingszin uit Het gelukkige eiland: ‘Op een vlot/ gebouwd van wrakhout/ voer een meisje./ Ze was op weg/ naar de horizon’. En toen dacht ik, stel dat ik haar donker had gemaakt? Plotseling besefte ik: met één drupje verf was het een politiek geladen boek geworden. Ik hoop ooit het punt te bereiken dat het niets uitmaakt hoe ik dat kind teken. Of het nou gekleurd of blond is, een jongen of meisje, het verhaal zou er niet door moeten veranderen. Maar de wereld is nog lang niet zo ver.

„Ineens bedenk ik mij dat ik voor mijn eindexamen Nederlands een pleidooi heb geschreven tégen illustraties in kinderboeken. Die beperkten je eigen verbeeldingskracht, vond ik.” Lachend: „Daarna werd ik aan de Rietveld Academie aangenomen. Dit pleidooi kwam onder meer voort uit mijn frustratie over de illustraties van Carl Hollander van Pippi Langkous, die ik zag toen ik als klein meisje vanuit Zweden in Nederland kwam wonen. Ik kende de Zweedse uitgave natuurlijk. En het beeld van Hollander, later overigens mijn beste leermeester aan de Rietveld Academie, klopte gewoon niet. Pippi is voor mij extreem Zweeds. En de kleding die Lindgren beschrijft is gewoon wat Zweedse meisjes in de jaren veertig traditioneel droegen. Dus helemaal niet zo extravagant als al die hoeden en jurken die Hollander haar had aangetrokken. Ik was daar boos om en heb zijn tekeningen zwart doorgekrast.”

Is verbeelding dan toch niet grenzeloos?

„Een illustrator moet altijd rekening houden met het oorspronkelijke verhaal, hij is minder vrij dan de prentenboekenmaker die, zoals gezegd, grenzeloos kan scheppen. Door mijn tweelandigheid besef ik hoe weinig je van een ander land en die cultuur kunt weten als je daar niet woont of bent opgegroeid, zelfs al liggen die landen, zoals Zweden en Nederland, dicht bij elkaar. Ja, er is een buitenkant: de bossen, de rode huizen, die kun je gewoon tekenen. Maar dat is beperkt: wat je vanuit je vaderland meeneemt zit zo diep in je. Het landschap, geuren, klanken, kleuren. Herkenningspunten zijn voor kinderen daarom heel belangrijk, vooral als ze nog geen geoefende lezers zijn. Ze openen de deur naar het verhaal. Dát ondervond ik in Nairobi en Iran.

Schildpad en ik gaat onder andere over heimwee naar je geboorteplek, dus daar heb ik veel verschillende herkenningspunten uit veel verschillende werelden in gestopt. De hoofdpersoon lijkt Midden-Oosters en ik tekende een waterpijp. Dat voelt voor mij allemaal dichtbij, ik heb jarenlang met Syriërs en Afghanen opgetrokken. Maar de bergen zijn die van Lapland, waar ik veel ben geweest. En de huizen komen uit New Orleans, waar mijn broer woont. Kinderen zullen zich herkennen in de beginscène waarin een grootouder aan een kind over vroeger en ver weg vertelt.

„Maar gaandeweg heb ik geprobeerd de spiegel in een venster te veranderen en volgt er eigenlijk een heel volwassen vertelling over leven en sterven, liefhebben en loslaten, vertrekken en thuiskomen. Het verhaal komt diep uit mezelf, toch denk ik dat ieder kind het zal begrijpen en hopelijk met me mee zal reizen.”

Lees ook: deze recensie van ‘Het gelukkige eiland’ van Marit Törnqvist