Recensie

Recensie Boeken

Deze Noorse roman over honger is het startschot van modern schrijverschap (●●●●●)

Knut Hamsun Een ronduit ontstellende ervaring is het om Honger te lezen, in een vloeiende nieuwe vertaling. De Noor lost er het startschot voor modern schrijverschap.

Stilleven van Jan Davidsz. de Heem (1606 - 1683/84)
Stilleven van Jan Davidsz. de Heem (1606 - 1683/84) Foto Collectie Nationalmuseum Stockholm

Weleens in september of oktober in een bos of park gelopen en bij de aanblik van al die verkleurende, dwarrelende bladeren gedacht: dit is toch eigenlijk het mooiste, ja, meest lieflijke seizoen van het jaar? Nog even doorstiefelen en dan, nog een beetje nadromend over al die natuurpracht, wegdoezelen in het gerieflijke leer van een ruime fauteuil bij een knisperend vuur.

Niks mis mee, natuurlijk, maar de herfst maakte op de Noor Knut Hamsun (1859-1952) toch een heel andere indruk. ‘De herfst is aangebroken en brengt alles in een sluimertoestand, vliegen en andere insecten voelen hun einde naderen, in de bomen en op de grond hoor je het geluid van het vechtende leven, ruisend, onrustig suizend, zwoegend om niet te vergaan. Alle kruipende wezens roeren zich nog een laatste keer, steken hun gele kopjes boven het mos uit, strekken hun pootjes, tasten om zich heen met lange draden en zinken plotseling ineen, rollen om met hun pootjes omhoog. Alles wat groeit heeft zijn unieke vorm gekregen, de eerste kou blaast er zachtjes overheen; de grassprietjes reiken bleek naar de zon en de gevallen bladeren ritselen over de grond met een geluid als van kruipende zijderupsen. Het is het uur van de herfst, midden in het carnaval van de vergankelijkheid; de rozen zijn koortsig rood, een hectische, wonderlijke gloed ligt over hun bloedrode kleur.’ Het is herfst. En alles gaat de pijp uit.

Stukje hout

En dan moet de winter nog komen! Voor de mensen die zich een plek bij het vuur kunnen permitteren zal dat niet al te veel problemen opleveren, maar voor de verteller van Honger (1890), Hamsuns baanbrekende roman, des te meer. Want meer dan een zwerver kun je hem eigenlijk niet noemen. In Kristiania, de stad die we tegenwoordig Oslo noemen, sleept hij zich van het ene naar het andere krakkemikkige onderkomen, een spoor van onbetaalde rekeningen achter zich latend. En dan is het vinden van onderdak nog niet eens zijn grootste probleem. Dat is dat knagende hongergevoel. Dagenlang eet hij soms niet, zo berooid is hij. En als het lot hem eens een keer goedgezind is en hij zich aan een fatsoenlijke maaltijd kan laven, dan kan hij die amper binnen houden, zo van slag is zijn lichaam. Soms knabbelt hij van lieverlee op een stukje hout. Dan kan hij in elk geval even denken dat hij weer wat te eten heeft.

Het is een ronduit ontstellende ervaring om Honger te lezen. In een nieuwe, vloeiende vertaling weliswaar, maar toch: een klein wonder blijft het, om zo omver te worden geblazen door een boek dat 132 jaar geleden voor het eerst van de persen rolde. Hamsun was destijds een 29-jarige debutant, een man die in diezelfde periode furore maakte met publieke, venijnige aanvallen op de mensen die in die tijd de meest voorname schrijvers van zijn land waren, en waarvan Henrik Ibsen de bekendste naam is. Dat hun sociaal-realistische literatuur vooral een blik op de maatschappij bood vond Hamsun maar niks.

Onder invloed van de aan populariteit winnende psychologie wilde hij dat de roman ons deelgenoot maakte van alle mentale woelingen van de mens. En met zijn debuut liet hij zien hoe dat moest en waar dat op neerkwam.

Hart en ziel

Er is in Honger, zo schrijven de vertalers in een bondig maar inzichtelijk nawoord, liefst honderdveertig maal sprake van een stemmingswisseling bij de verteller. Zie het als een voorbode van de twintigste-eeuwse literatuur waarin schrijvers ook niet langer vol kon houden dat er zoiets bestond als een mens uit één stuk. Isaac Bashevis Singer, de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1978, zag Hamsun dan ook als de vader van alle moderne, 20ste-eeuwse literatuur. De innerlijke monoloog, die we vooral met de modernisten in verband brengen, hanteerde Hamsun al.

De verteller zwerft, maar hij schrijft ook. Hij schrijft met hart en ziel. Artikelen voor een krant met name, maar die zijn zo abstract van toon en thematiek dat het zonneklaar is dat zijn toekomst niet in de journalistiek ligt. Als hij er opnieuw niet in is geslaagd om een paar kronen los te peuteren bij de krant richt hij zich weer woedend tot God. Ook daarin openbaart zich zijn springerige, opportunistische geest: hij gelooft helemaal niet in God, maar toch balt hij zijn vuist richting hemel. En helemaal vrij van de christelijke moraal is de verteller trouwens ook niet. Stelen mag niet en hij schaamt zich de ogen uit z’n kop als een ander hem wat centen toeschuift. En als er wat centen zijn, dan geeft hij ze weer weg. Je moet de armen een handje helpen, nietwaar?

Lees ook over Hamsun: Wél het bordeel, maar geen God!

Onbewuste wens

Al lezend dringt zich het Freudiaanse ‘Fehlleistung’ op, het zogenaamd per ongeluk maken van fouten of vergissingen waar een onbewuste wens achter schuilgaat. Want het is tot op zekere hoogte een ironisch spel dat Hamsun hier speelt, met die voortstrompelende minkukel die zogenaamd niks van de grond krijgt en daardoor langzaam wegrot als een insect in het najaar. Zijn we hier niet gewoon getuige van iemand, van een kunstenaar welteverstaan, die zich niet langer wil voegen naar de wensen van de gemeenschap om zijn buikje te kunnen vullen? Ook de vertalers wijzen op het verband tussen de honger en schrijven, alsof de verteller de honger nodig heeft (lees: het totale verstoken-zijn van welke ‘groepsbeloning’ dan ook) om tot de kunst te komen die hij wil maken, om te schrijven. Iemand met een goed stel hersens, iemand die nota bene kan schrijven, die over een jong lichaam beschikt waarmee je ijzer kunt breken, van zo iemand geloof je toch niet dat bij hem écht alles mislukt wat hij in een welvarende, ontwikkelde Europese stad van de grond probeert te krijgen?

Zo bezien is Honger een soort startschot van de moderne, in dit geval schrijvende kunstenaar: we liepen lang genoeg achter jullie aan met onze esthetische prullaria, in ruil voor een handje kleingeld, nu lopen jullie maar eens een keer achter ons aan. Je doet je best maar. Wie het niet meer kan volgen blijft achter.