Recensie

Recensie Boeken

David Hume was een scepticus met een groot kooktalent

Filosofie Met zijn biografie over de Schotse denker David Hume biedt Ton Vink een goed overzicht van diens rijke leven en werk. Toch was Hume niet alleen een ‘man of letters’.
Historicus en filosoof David Hume, portret door Allan Ramsay, 1754.
Historicus en filosoof David Hume, portret door Allan Ramsay, 1754. Foto National Galleries Of Scotland/ Getty Images)

Door zijn sceptische houding tegenover het geloof had de filosoof David Hume (1711–1776) in Engeland en Schotland een beroerde reputatie. Een leerstoel aan de Universiteit van Edinburgh kon hij om die reden wel vergeten. Maar toen hij zich onder Franse verlichte filosofen begaf, bleek zijn religieuze scepsis klein bier. Zo betwijfelde Hume op bezoek bij Baron d’Holbach het bestaan van atheïsten; hij was tenminste zelf nooit een echte atheïst tegengekomen. De gastheer vroeg hem met hoeveel mensen ze aan tafel zaten, het waren er achttien. ‘Monsieur’ zei de baron daarop, ‘ik kan u er vijftien laten zien. De anderen zijn er nog niet helemaal uit.’

Toch voelde Le bon David zich verwant met deze radicale denkers en zij waren op hun beurt dol op de goedmoedige Schot. Ze waardeerden zijn werk en vonden het geweldig dat hij in eigen persoon naar Parijs was gekomen. De wiskundige en filosoof D’Alembert citeerde daarom eens bij zijn binnenkomst het bijbelwoord uit Johannes 1:14, ‘En het Woord is vlees geworden’, want spot met de Heilige Schrift was een hobby in dit gezelschap.

Rundvlees met Kool

Het is niet duidelijk of biograaf Ton Vink hier de pointe van D’Alemberts grap mee krijgt, die in bedekte termen een beetje vals naar de corpulentie van hun held verwees. Maar zijn boek biedt een goed overzicht van Hume’s rijke leven en werk en gaat vaak terug op zijn correspondentie, zonder hierbij trouwens altijd de krenten uit de pap te vissen.

Zo schrijft Hume aan Gilbert Elliot of Minto dat hij op zijn oude dag graag vrienden thuis ontvangt en voor hen kookt. Vink citeert dan hoe de filosoof half spottend opschept over zijn ‘Great Talent for Cookery’, maar de erop volgende regels krijgen we niet te lezen. Daarin vertelt Hume dat vlak voor hem op tafel een zojuist overgeschreven recept van soupe à la reine ligt, dat hij ‘kampioen is in Rundvlees met Kool’, in ‘Schapenvlees met oude Bordeaux’ en vooral in bouillon met schaapskop waarvoor de Hertog van Niverois zich maar wat graag als koksmaatje bij hem zou aanbieden om te leren hoe je dat moest klaarmaken.

Op die manier kom je echt iets over Hume te weten, al was hij natuurlijk tegelijk een serieus denker en schrijver. Zijn meerdelige Geschiedenis van Engeland zou een succes worden, zijn kritiek op het causaliteitsbegrip beïnvloedde ingrijpend de filosofie van Kant en zijn godsdienstkritiek was voortaan nauwelijks meer weg te denken. Hume’s scepsis was vlijmscherp. Zo ontkende hij niet botweg het bestaan van wonderen, maar stelde dat we telkens moesten kiezen tussen de betrouwbaarheid van een wonder en de betrouwbaarheid van het verslag ervan.

Vink noemt Hume een ‘man of letters’, omdat hij zich tot de ‘gewone lezer’ richtte. En hoewel hij hoog opgeeft van zijn stijl, verwacht je bij zo’n term wel dat Hume dan enigszins in de Engelstalige literatuur gesitueerd wordt. Op Samuel Johnson na komt er in deze biografie echter geen schrijver aan te pas. Hume is toch ook gewoon een filosoof? Dat woord is in de verlichting breed genoeg. Voltaire en Diderot schreven romans, toneelstukken, politieke pamfletten, essays, natuurwetenschappelijke artikelen, poëzie, en traktaten, liefst allemaal door elkaar. ‘Filosoof’ betekende destijds zoiets als ‘intellectueel’ nu (al is die kwalificatie in Nederland sinds enige decennia een scheldwoord) en dekt bij Hume de lading beter dan ‘man of letters.’

Racistische voetnoot

Dit boek had daarnaast het nodige gewonnen bij een steviger eindredactie. Het wemelt van de herhalingen, terwijl de auteur er geen been in ziet A Treatise of Human Nature (1739/1740) in 35 bladzijden samen te vatten aan de hand van een reeks citaten. Verder had een inwendige sensitivity reader zijn bespreking van een beruchte racistische voetnoot bij Hume meer recht gedaan. In die noot uit zijn essay Of National Characters schrijft Hume op pijnlijke wijze dat zwarte mensen ‘inferieur’ zijn. Daar komt dan Hume’s verhouding tot de slavernij nog bij.

Vink betoogt volkomen juist dat de filosoof zich daar weliswaar tegen verzette, maar dan wel vooral met het oog op de Oudheid. Zelf was hij ondertussen zijdelings bij slavenhandel betrokken door te bemiddelen bij de aankoop van een overzeese plantage. Het argument dat slavernij destijds voor elke Europeaan vanzelfsprekend was, is moeilijk houdbaar. Hume’s collega, de moraalfilosoof Francis Hutcheson (1694-1746) zette zich er bijvoorbeeld expliciet tegen af.

Lees ook: SMS ‘Hume’ als u voor empirisme bent

Een en ander deed de Universiteit van Edinburgh daarom eind 2020 besluiten de naam van een groot gebouw, de David Hume Tower, te wijzigen. Je kunt erover twisten of dat te rigoureus is. Veel denkers uit de achttiende eeuw, van Voltaire tot Kant, hebben zich immers in de marge van hun werk racistisch uitgelaten, terwijl het tegelijkertijd grondleggers zijn van emancipatie, democratie en vrijheid. Dienen ze met een lawine van boze tweets uit de herinnering te worden weggevaagd? Die vraag is te retorisch, want deze discussie moet worden gevoerd zolang het argumenteren zelf niet vertwitterd wordt en verguisd. Zeker omdat in het huidige academische debat zulke schaduwzijden van de Verlichting steeds meer aan het licht komen.

Rousseau en Smith

Twee denkers krijgen terecht een eigen hoofdstuk toegewezen. Om te beginnen de vervolgde filosoof Rousseau, over wie Hume zich gastvrij in Engeland ontfermde. Rousseau bedankte hem daarvoor met zo veel verwijten en laster, dat het op een publicitaire rel uitliep waar tout Paris van smulde. De tweede is Adam Smith, vader van de klassieke economie. Hij is samen met Hume de belangrijkste vertegenwoordiger van de Schotse Verlichting. Ze waren beiden filosofisch onderlegd, goed bevriend en verstokt vrijgezel. Al had Hume in zijn jonge jaren nog weleens vergeefs toenadering tot een vrouw gezocht. Toen hij beroemd was liet zij weten dat ze van mening was veranderd, waarop hij geantwoord schijnt te hebben: ‘Ik ook.’

Aan het eind bespreekt Ton Vink Hume’s harmonieuze sterfbed en vervolgens zijn essay over zelfmoord, waarin veel gangbare bezwaren ertegen worden weerlegd. Hier speelt eigen ervaring van de biograaf een rol; jarenlang was hij bij Stichting De Einder een toonaangevend consulent voor mensen die zelf over hun levenseinde willen beschikken. Dit slot is een beetje een Fremdkörper in het boek, maar wel in de geest van Hume.