Recensie

Recensie Boeken

Alle vuur ontbreekt in de nieuwe roman van Dimitri Verhulst

Dimitri Verhulst Leven als verslaving waarvan afgekickt moet worden, die omkering staat centraal in de nieuwe Verhulst. Maar wat heeft hij nog te zeggen?

Illustratie Ted Struwer

Hij week uit voor een hert, auto over de kop, hij verongelukte. Een nobele dood, maar: hij was nog lang niet klaar met het leven. Het einde is het begin van Hebben en Zijn, waarin de man zich terugvindt in een soort wachtkamer, een kliniek, in feite een atheïstisch limbo tussen leven en dood, waar hij onder toezicht van de ‘Opzichter’ en de ‘Counselor’ een ‘detoxificatieprogramma’ mag doorlopen. ‘Tot je helemaal van het leven bent afgekickt. Tot je zonder kan. Tot je het hebt afgezworen tot op de laatste vezel en het zelfs nooit meer wil, vastberaden.’

Leven als verslaving waarvan afgekickt moet worden – op voorhand wellicht een wat al te pessimistische omkering van zaken, maar goed, als gedachte-experiment is het wel wonderlijk genoeg om de nieuwe roman van Dimitri Verhulst (1972) aanvankelijk het voordeel van de twijfel te gunnen. In zekere zin ligt het ook in de lijn van diens oeuvre, immers: de wereld is bij Verhulst een tranendal, de mens een lor, het leven waardeloos. In Onze verslaggever in de leegte (2020) noteerde de schrijver bij een boswandeling de depressieve gedachte: ‘In een van mijn wellicht waardeloze werkjes liet ik een man zich verhangen in dat bos, precies dát bos, hij deed het in mijn plaats, en het was een daad van geluk.’

Is de dood iets goeds? Zo’n volkomen gebrek aan levenslust dat er een verheerlijking van de dood uit volgt – het blijft een gewaagd uitgangspunt. Want krijgt Verhulst ons daarin overtuigd mee? Wie leest, zal toch minstens een zodanig klein beetje van de mooie dingen des levens houden dat er interesse in een boek op te brengen valt. En als dat boek er eentje van Verhulst is, wordt eventuele pikzwartgalligheid gecompenseerd door diens sardonische stijlgevoel, door een geurend boeket van taalbloemen, dat de charme van de ellende alsnog doet inzien.

Vurige woorden

Tenminste: dat wás altijd Verhulsts kwaliteit. Het moet gezegd: het valt al een paar boeken lang op dat Verhulst dat stijlgevoel wel erg hard nodig heeft. Het nagenoeg lege en tamelijk sneue autobiografische zuip-snuif-en-faalboek Onze verslaggever in de leegte werd nog net gered doordat er wat mooie zinnen in stonden – en grappig was. (Als er net een hond is overleden, en vol erbarmen wordt uitgeroepen wie er dán voor de stinkende scheten in huis moet zorgen, en de schrijver geruststelt: ‘De opvolging is verzekerd.’ Flauw, maar wel bevrijdend grappig: humor is ook een kwestie van timing.)

En zo weerspiegelden de vurige woorden in In weerwil van de woorden (2021) wel degelijk de woede die ten grondslag lag aan de verder wel erg dunne novelle, over een man die gestopt is zijn post open te maken – hij zag er een teken van de ontmenselijking van de samenleving in. Brieven sturen we niet meer, wat rest is post: ‘Blafferige berichten in kromtaal, gericht aan een mens waar de afzender niets om gaf, die voor de afzender zelfs niet eens een mens was’. Koekje van eigen deeg: postweigering. ‘Waar ik word ontmenselijkt, mag niet worden verwacht dat ik zal reageren als mens.’

Daar kon je zien: er brandde, ondanks alles, nog wel degelijk een vuurtje bij Verhulst, al had die toch ook niet meer de kracht van oerknal van taal Godverdomse dagen op een godverdomse bol (Libris Literatuur Prijs 2009) (wat een boek was dat). De premisse van Hebben en Zijn veronderstelt hetzelfde: de worsteling van het hoofdpersonage ligt erin dat die het leven nog wél de moeite waard vindt. Maar wil, of kan, Verhulst dat nog wel zeggen? Want het idee was er, maar de uitwerking is lustelozer dan je je bij een verhaal over levenslust kunt indenken. Alle vuur ontbreekt in de nieuwe roman.

Proef-doodzijn

Dat begint, en eindigt wellicht, bij dat uitgangspunt, die omkering, want erg veel meer dan het beginidee heeft de roman niet te bieden. Verhulst tuigt zijn verhaal ondertussen op met allerlei extra verzinsels: bijvoorbeeld dat mislukkende afkickers terug kunnen naar het leven, maar dan wel het hele eigen leven, vanaf de geboorte, opnieuw moet gaan beleven. Het is een ideetje, een willekeurig aanvoelende spelregel die bedacht lijkt om wat spanning in het verhaalconcept te brengen. De ontwenningscursus van het leven stelt verder ook verrassend weinig voor – ja, er komt iets als ‘desensitisatie’, wat een soort proef-doodzijn inhoudt, maar omdat de dood niets anders is dan één groot niets, kan daar niets over verteld worden (ja, flauw).

Malodot, zoals de hoofdpersoon heet (je zou het kunnen vertalen als ‘Pechie’), maakt kennis met Albertine, in wie de Franse jarenzestig-cultschrijfster Albertine Sarrazin te herkennen is – in Onze verslaggever in de leegte schreef Verhulst al over haar als ‘een zusje’, die zich door een rotopvoeding heen sloeg, de grootste ellende over zich heen kreeg, maar toch een vurig bohémienleven leidde. En te jong ten onder ging, door een medische misser. Ze voelt zich na haar dood nog levenslustig, maar wat doet Albertine verder eigenlijk in deze roman, behalve de antagonist voor Malodot zijn, met wie hij paffend kan verpozen?

Hun verhouding blijft oppervlakkig, op het nietszeggende af. Of ja, er is wat seksuele spanning tussen hen – wat Verhulst de gelegenheid geeft om de zin van het leven plat te slaan: ‘Een mooie, gezonde, vlezige en goed doorbloede kont, daar is niets mis mee. Zolang hij gezonde konten blijft bewonderen, neigt hij naar het leven.’

Die platheid staat ook niet op zichzelf: zo afgezaagd en zouteloos zijn de grapjes in Hebben en Zijn. De omgeving van de kliniek biedt een uitgestorven, doodse aanblik (ja, vat je ’m?): er is ‘een tuintje met dode bomen, een droge vijver, voor wie even een onfris luchtje wil scheppen’.

Lees ook: Moeten we Dimitri Verhulst als cabaretier beschouwen?

Droge vijver

Wat dan ook niet meehelpt, is dat het verhaal zich nauwelijks ontwikkelt. Ja, Malodot gaat op ‘uitstap naar iemands coma’, en ja, dat ‘heeft iets uitgericht, hij kan er alleen de vinger niet op leggen’ – de lezer al evenmin. De intrede van een Iraanse kindermoordenaar en -verkrachter injecteert nog wat spanning in het verhaal, maar die raakt gesmoord in de ingewikkeldheid van de (on)logica in Verhulsts verhaal. De schurk besluit het afkicken te stoppen en terug te gaan naar het leven, tot ontsteltenis van Malodot, want dat betekent dus dat die man nóg eens dat afgrijselijke leven gaat leven, en vele kinderen in het ongeluk stort?! Waarvan je je als lezer afvraagt: maar ís dat dan zo? Als, Verhulsts verzinsel volgend, je ziel terugkeert naar je geboorte, leef je dan een tweede leven, of hetzelfde leven opnieuw, in een parallel universum of zo? En wie heeft daar last van?

Op die manier blijft het uitgangspunt van Hebben en Zijn steeds wringen en verwarren – en word je als lezer er telkens mee geconfronteerd dat deze roman conceptueel is, en verder heel weinig. Wat heeft Dimitri Verhulst nog te zeggen? Zijn taalvuurwerk heeft plaatsgemaakt voor machteloze plofjes. Zo blijft er niets over.