Roadtrip van Suzanne Vermeer is een doodvermoeiende zomerthriller

Iedereen leest Op deze plek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Deze week de nieuwste thriller van Suzanne Vermeer, waarin personages in potsierlijke volzinnen met elkaar spreken.

Ik ga op reis en ik neem mee… een slap boekje. Figuurlijk: niet te moeilijk, en letterlijk: het mag opengeklapt blijven liggen. De nieuwe zomerthriller van Suzanne Vermeer, Roadtrip, vliegt de winkels uit.

Nou heb je slap en slap. En dit boek slaat alles. Dit is niet ‘lekker slap,’ dit is van de buitencategorie: verbijsterend slap. In Roadtrip lees je vooral wat je niet wilt weten. Het gemiezemuis van de hoofdpersoon Paula over wat ze allemaal voelt, is doodsaai.

Dan weer dit, dan weer dat: per halve pagina wisselt haar stemming. Het is nauwelijks te volgen. Paula, jurist, is na dertig jaar huwelijk op vakantie met haar man. Ze bezoeken Las Vegas en trekken rond. Hun zonen blijven thuis, onder de hoede van een huisvriendin. Die pal na aankomst de hond opsluit in de loeiwarme schuur. Hm.

Paula ontvangt aan de vooravond van vertrek dreigende sms’jes. Een danig rottend appeltje uit het verleden moet blijkbaar alsnog geschild worden. Gaat Paula naar de politie? Vertelt ze erover aan haar man? Neen. Hup naar de VS, alsof er niets aan de hand is.

Wat voelt Paula, eenmaal in Las Vegas, zoal? Een bruisende buik, bijvoorbeeld. „Ik voel (…) dat ik de wereld aan kan.” Wat een fonteinen, wat een shows en hé, een gondel, maar hola, daar slaat haar stemming om („terwijl ik van binnen in elkaar krimp”) naar angst en schaamte, of nee, toch weer niet, want een hap tonijncarpaccio maakt dat ze haar ogen „sluit van genot” en kreunt. Poe, gelukkig. Of nee, pal daarop is het alsof ze „op de Titanic zit en elk moment een ijsschots kan raken.” Arme Paula. Arme lezer. Het is doodvermoeiend.

Grappig is Roadtrip ook, doorgaans onbedoeld. Tussen de kolkende gevoelens door staan broodnuchtere opmerkingen zoals „gelukkig hebben we onze schouders goed ingesmeerd.” De enige echte lach die het boek opwekt, komt als Paula de smoezelige eigenaar van een motel waar een moord gepleegd is, doodgemoedereerd vergelijkt met Herman van Veen.

Roadtrip, dat de winkels uitvliegt, is niet slap, maar verbijsterend slap

Verder kan er nog zo vaak iets staan als „de aanblik voelt onheilspellend en ik voel kippenvel over mijn hele lichaam trekken”, het slaat niet op je over. Ergerniswekkend is de onlogica: waarom wordt een liefhebbende echtgenoot woedend over iets wat hij al lang weet? Hoe kan Paula vergeten zijn dat ze de reisroute op Facebook zette? Er worden wel antwoorden gegeven, maar die slaan nergens op.

Net als de dialogen. In potsierlijke volzinnen spreken de personages met elkaar, waarbij voortdurend herhaald wordt wat de lezer al weet. „Na een vreselijke onrustige dag gisteren heb ik besloten dat ik toch de politie maar ga inschakelen en ik ben op weg naar de receptie om de contactgegevens van het dichtstbijzijnde politiebureau te vragen.” Bizar is dat op momenten dat het geven van informatie er wél toe doet, Paula ervoor kiest dit niet te doen. „Ik zal je de inhoud besparen,’ zegt ze over de dreig-sms’jes tegen een detective (met cowboyhoed).

De moraal luidt: ga nooit vreemd. Geloof ik. Maar ik was intussen weggedommeld. Roadtrip is bij uitstek een boek om te laten slingeren op je vakantiebestemming, of om op de camping als onderzetter te gebruiken.

Reacties: boeken@nrc.nl