Reportage

Hans Croiset: ‘Ik ben geen geboren acteur, geen speelbeest’

Hans Croiset stopt met acteren Na een carrière van bijna zeventig jaar, stopt Hans Croiset na de reprisetournee van ‘Eindspel’ met toneelspelen. NRC keek mee achter de coulissen en in de kleedkamer: hoe beleeft hij dit afscheid? Het acteren zelf gaat hij absoluut niet missen.

Acteur Hans Croiset (86) bereidt zich voor op de eerste voorstelling van de reprisetournee van ‘Eindspel’, waarmee hij na bijna zeventig jaar afscheid neemt van het toneel.
Acteur Hans Croiset (86) bereidt zich voor op de eerste voorstelling van de reprisetournee van ‘Eindspel’, waarmee hij na bijna zeventig jaar afscheid neemt van het toneel. Foto Andreas Terlaak

Met zijn zenuwen is het met de jaren alleen maar erger geworden, zegt acteur Hans Croiset (86) in de kleedkamer van Theater Rotterdam, twee uur voordat hij het podium op moet. Het is dinsdagavond 10 mei, vanavond speelt hij de eerste voorstelling van de reprisetournee van Eindspel, de succesproductie uit 2019 naar een tekst van Samuel Beckett. Het is de laatste kans om hem op het podium te zien: na een carrière van bijna zeventig jaar stopt Croiset hierna met toneelspelen. Hoe beleeft hij dit afscheid? ,,Ik probeer er zo min mogelijk mee bezig te zijn.”

Het is een spannende dag: de voorstelling heeft bijna twee jaar niet gespeeld en een deel van de cast is vervangen. Hans Croiset is om vier uur ’s middags – vier uur voordat de voorstelling begint – al bij het theater. Op het podium in de verder lege zaal, neemt hij samen met zijn medespelers en regisseur Erik Whien de laatste aanwijzingen voor vanavond door. Gisteren hebben ze een ‘doorloop’ gespeeld, een besloten oefenvoorstelling voor medewerkers van het gezelschap. Croiset overlegt met Whien over zijn rolinterpretatie. Hij had het gevoel dat hij gisteren te groot speelde: „Dat vette gedoe.” Mooi juist, vindt Whien, sterker nog: het kan nog wel een tandje meer. Croiset kijkt bezorgd: „Het voelt als aandachttrekkerij. Dat idee moet ik dus uit mijn kop zien te krijgen de komende uren.”

Tevreden? Dat ben ik in die zeventig jaar nog nooit geweest

Want aandachttrekkerij, daar houdt Croiset niet van. Toneel gaat niet om ego’s, niet om de mensen op de vloer, maar om de taal, het tot leven wekken van repertoire. Als zoon van acteur en regisseur Max Croiset en actrice Jeanne Verstraete, begon hij in 1953 op zeventienjarige leeftijd bij het Rotterdams Toneel met acteren. Hij groeide uit tot een veelvuldig gelauwerd acteur, regisseur, docent, schrijver en artistiek leider. Hij richtte drie toneelgezelschappen op en won twee Louis d’Ors, de hoogste toneelonderscheiding voor mannelijke acteurs: in 1980 voor zijn rol in Antigone en in 2017 voor De vader.

Dat hij nu stopt, komt omdat het spelen hem steeds zwaarder valt, vertelt hij na het avondeten in zijn kleedkamer. „Als je 86 bent ga je achteruit, dat kan niet anders. Ik kan de honderd meter niet meer lopen. In het dagelijks leven heb ik daar geen last van, maar toneel is topsport. De laatste weken voor het spelen ben ik dan ontzettend nerveus, dan ben ik bijvoorbeeld bang dat ik mijn collega’s stoor omdat ik mijn teksten niet op tijd ken. Dat wil ik niet meer.”

Knippen

Een wereld van verschil met hoe hij als zeventienjarige in de kleedkamer zat voor zijn eerste voorstelling bij het Rotterdams Toneel. Het gezelschap speelde een ‘spectacle coupé’, een compilatie van fragmenten uit voorstellingen van het voorbije seizoen, speciaal voor de abonnementhouders. „Voor zenuwen was simpelweg geen tijd: ik kwam ’s ochtends binnen, kreeg drie stukken voor mijn neus, die leerde je uit je hoofd waar je bijstond, en dan ging je ’s avonds spelen.” Eén van die stukken die eerste avond was John Steinbecks Muizen en mensen, geregisseerd door zijn vader, die ook de hoofdrol speelde. „Ik herinner me nog dat ik op het podium tegen hem moest zeggen: ‘Kom nou eens los, ga eens naar de hoeren!’ Als zeventienjarige tegen je vader! Toen besefte ik meteen dat ik hem geen ‘papa’ meer kon noemen. Vanaf dat moment werd het ‘Max’. Dat soort overgangen hebben meer indruk op me gemaakt dan het spelen zelf.”

Foto Andreas Terlaak
Foto Andreas Terlaak
Foto Andreas Terlaak
Foto’s Andreas Terlaak

Hans Croiset had geen toneelopleiding gevolgd, hij werd grotendeels opgeleid door zijn vader. „Ik wist echt van niets destijds. Ko van Dijk heeft me door dat eerste jaar heen geholpen. Die zag: als je zonder opleiding op het toneel komt, heb je een helpende hand nodig. En mijn vader vond: nu ga je het zelf maar opknappen.” Een van de belangrijkste lessen die hij later leerde was ‘knippen’, een schakeltechniek van Annet Nieuwenhuyzen. „Dat is een manier om losse zinnen te zeggen zonder ze aan elkaar te willen verbinden. Juist vanavond, met Beckett, heb je daar veel aan.”

Al snel ging hij zich meer toeleggen op regisseren. Nog voor zijn dertigste was hij artistiek leider van Toneelgroep Theater in Arnhem. Later volgde het Publiekstheater (waar hij onder meer Vondels Lucifer en Adam in Ballingschap regisseerde), het Nationale Toneel en Het Toneel Speelt – gezelschappen die hij ook zelf oprichtte. „In die periode was er weinig tijd om zelf te spelen. Ik was niet het type artistiek leider dat zelf altijd de hoofdrollen wilde, mijn doel was om het toneel te maken waarvan ik dacht dat het op dat moment noodzakelijk was. Pas later, toen ik wegging bij Het Toneel Speelt, ben ik weer meer de vloer op gegaan.”

Ik voel me meer een soort zendeling die zich hard maakt voor het toneel in ons land

Het spelen zelf heeft bij Croiset nooit op de eerste plek gestaan. „Ik ben geen geboren acteur, geen toneelbeest. Ik voel me meer een soort zendeling die zich hard maakt voor het toneel in ons land. Ik heb honderden inleidingen en nagesprekken gehouden, en deed dat met een groter enthousiasme dan waarmee ik toneelspeelde. Ik heb bij Toneelgroep Theater de kleine zaal geïntroduceerd, waardoor we ander repertoire konden spelen. Bij het Publiekstheater zijn we begonnen met randprogrammering, we nodigden publiek uit bij repetities. Nu is dat heel gewoon, maar in die tijd hebben we dat allemaal moeten uitvinden en dat heb ik met gretigheid gedaan.”

Een hoogtepunt uit zijn carrière was zijn regie van Faust I & II in 1985, een zeven uur durende voorstelling bij Toneelgroep De Appel. „Ik was gastregisseur dus had geen enkele verantwoordelijkheid. Ik had geen binding met de acteurs, niets met contracten te maken, kon me puur focussen op de artistieke inhoud. De impact die die voorstelling had, wens ik al mijn collega’s toe. Mensen overnachtten in de kassa om er ’s morgens meteen bij te zijn. Tot in Shanghai en Buenos Aires stond in de kranten dat er iets bijzonders was gebeurd in het Nederlands toneel.”

Foto Andreas Terlaak
Foto Andreas Terlaak
Foto’s Andreas Terlaak

Kinderen

Onvermijdelijk heeft een leven dat volledig in het teken van toneel stond, ook z’n tol geëist. „In de gezinssituatie heb ik in die jaren veel steken laten vallen. Alles draaide om toneel. Ik ben nu heel goed met mijn kinderen, maar daar voel ik me nog altijd heel vervelend over.” De tijden waren destijds „onvergelijkbaar anders”, stelt Croiset. „Na de geboortenacht van onze eerste zoon, mocht ik van regisseur Guus Oster een uur later op de repetitie komen. Als je achter een kinderwagen liep, werd je gezien als een watje.”

Over acteren zelf is hij resoluut: dat gaat hij absoluut niet missen. „Dat wat ik uit spelen haal, haal ik ook uit het bezoeken van toneel of het lezen van stukken.” Wel maakt hij zich zorgen om het toneelbestel dat hij achterlaat, waar steeds minder ruimte is voor onbewerkt repertoiretoneel. „Het drijvende uitgangspunt van Het Toneel Speelt was om de Nederlandse klassieken levend te houden. Nu wordt alles vertaald naar de actualiteit, geen stuk gaat nog onbewerkt over de planken. Ik zie de impact van toneel in de samenleving kleiner worden. De maatschappij verhardt en verrechtst, en de gang naar het theater maakt de verbeelding wakker. Ook als je er niet op uit bent, verwijdt het je hersencellen: puur door het zien van een situatie die niet de jouwe is maar toch aan die van jezelf raakt.”

Lees ook Hans Croiset over acteren: ‘Heb ik die zin goed gezegd?

Eigenwijs en onzeker

Op advies van regisseur Erik Whien trekt hij zich anderhalf uur voor aanvang even terug om te rusten. „Soms zorgt hij niet goed voor zichzelf”, zegt Whien. „Ik moet weleens zeggen: nu even wat eten, Hans, want we zitten al twee uur te repeteren. Vindt-ie dan aanstellerij. ‘Is dat nou nodig?’ Ik denk dat Hans in zijn loopbaan genoeg aanstellers is tegengekomen, dat hij vastbesloten is nooit zo te willen te zijn.”

Goed mogelijk dat hij daarom ook zo’n moeite heeft met dat groot uitspelen van zijn personage, denkt Whien. „Hij vindt het moeilijk om die knop om te zetten: hij denkt dat-ie al heel groot speelt, en mijn aanwijzing is vervolgens dat het twee keer groter moet. Er zit een mooie tegenstelling in hem, die hem overigens ook tot een groot acteur maakt: hij is enerzijds heel eigenwijs, maar ook ontzettend bescheiden en zelfkritisch, tegen het onzekere aan.”

Dat laatste blijkt direct na het slotapplaus, als zijn vrouw – regisseur Agaath Witteman, die tijdens de voorstelling in de zaal zat – hem opzoekt in de kleedkamer en hij meteen haar mening vraagt: „Ging het goed? Was het te groot?” Zelf zegt hij dat hij nog niet weet hoe hij het vond gaan. Zijn vrouw, liefdevol streng: „Dat weet je best!” Croiset: „Ik kan niet zeggen: goed.” Vooruit, na enig aandringen, dan toch: „Dat ‘knippen’ ging beter dan eerder. Ik vind het prettig dat we het stuk nog een flink aantal keer kunnen spelen, dat we het kunnen blijven uitzoeken. Maar tevreden? Dat ben ik in die zeventig jaar nog nooit geweest.”