Louise Elffers: „We moeten kinderen bij gelijke prestaties gelijke kansen bieden. Daar is nu geen sprake van.”

Foto Olivier Middendorp

Interview

‘Geef niet de pushende ouders de schuld van de ongelijkheid in het onderwijs’

Louise Elffers Vrijdag krijgen groep 8-scholieren de uitslag van de CITO-eindtoets die hun niveau voor de middelbare school meet. Onderzoeker Louise Elffers pleit ervoor leerlingen pas later in hun schoolcarrière „rigoureus te scheiden”, om ze gelijke kansen te bieden.

Louise Elffers (43) staat op het dakterras van de NRC-redactie, waar het interview plaatsvindt, en kijkt uit over Amsterdam. Daar ergens, wijst ze, ligt het Barlaeus, het gymnasium waar zij dertig jaar geleden op zat. Toen hoefde ze niet te loten om binnen te komen. Er heerste een „totale zesjescultuur”, veel scholieren hadden een „pretpakket”.

Elffers, onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Hogeschool van Amsterdam en directeur van het Kenniscentrum Ongelijkheid, wil maar zeggen: er is veel veranderd de voorbije decennia. Nu zou ze moeten loten voor een plek en misschien een bèta-profiel hebben gekozen omdat dat het beste aangeschreven staat.

„Je moet nu veel meer doen om je te onderscheiden.” Waarbij het cruciale moment, de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs, „een slagveld” is geworden met winnaars (leerlingen met ouders die gestudeerd hebben en de middelen hebben om te zorgen dat hun kind zo goed mogelijk terechtkomt) en verliezers (leerlingen zónder dat sociaal en economisch startkapitaal).

De ongelijkheid tussen die winnaars en verliezers werd de voorbije jaren zichtbaarder én groter. Elffers schreef er een boek over: Onderwijs maakt het verschil. Kansengelijkheid in het Nederlandse onderwijs. Centrale boodschap: onderwijs wordt, het meritocratisch ideaal indachtig, gezien als de grote gelijkmaker, maar is steeds meer de grote óngelijkmaker.

Het onderwijsstelsel, zegt Elffers, werkt ongelijkheid namelijk in de hand. Kinderen worden op jonge leeftijd, in groep acht, geselecteerd voor het vervolgonderwijs – waarbij het steeds ingewikkelder is geworden om later alsnog een ander pad te kiezen. Eenmaal op het vmbo is het lastig opklimmen. Dit leidt tot een „opwaartse druk”, zegt Elffers. Ouders die het zich kunnen veroorloven zetten alles op alles om hun kind, desnoods met privé-onderwijs, voor te sorteren voor het hoger onderwijs.

Voor alle duidelijkheid, zegt Elffers, niet iedereen moet van haar naar het hoger onderwijs. „Maar we moeten kinderen bij gelijke prestaties wél gelijke kansen bieden. En daar is nu geen sprake van.”

U schrijft in uw boek: de kansen zijn nooit gelijk geweest en zullen dat misschien nooit worden.

„Ik maak me geen illusies. Je kunt nooit voorkomen dat bepaalde groepen meer macht en middelen hebben om een betere positie voor zichzelf te realiseren. Zolang onderwijs een bepalende rol speelt in het bereiken en behouden van een bepaalde positie, zullen mensen er alles aan doen om zich door middel van datzelfde onderwijs te onderscheiden.”

Het onderwijssysteem bijt zichzelf in de staart, schrijft u.

„In theorie kan iedereen ongeacht zijn achtergrond nu studeren en heel veel mensen doen dat ook. In Amsterdam is 50 procent van de beroepsbevolking hoger opgeleid. Maar zodra iets universeel is geworden, gaat de bovenlaag nieuwe manieren bedenken om zich te onderscheiden. Je zag het op Harvard: toen daar ruim honderd jaar geleden gestandaardiseerde toetsen voor toegang kwamen, werd de studentenpopulatie veel diverser. In reactie daarop werden er ineens andere kwalificaties geëist die vooral gunstig waren voor de bevoorrechte groep die er al zat. Zo doelbewust gebeurt het nu niet, maar je ziet wel dat selectieve programma’s binnen het hoger onderwijs specifieke doelgroepen trekken. Neem de honours programma’s op universiteiten. De groep die deze programma’s volgt, is homogener: witter met een meer geprivilegieerde achtergrond.”

Kunnen universiteiten daar zelf iets aan doen?

„Je kunt je selectieprocedures anders inrichten. Die leunen vaak onbewust op het economisch en cultureel kapitaal van ouders. Je moet bijvoorbeeld laten zien dat je ‘internationaal georiënteerd’ bent. Dus heb je gereisd, of in het buitenland gestudeerd? Dat kan niet iedereen betalen. En neem de selectie voor medische studies: het helpt om je motivatie te onderbouwen met werkervaring, bijvoorbeeld een bijbaantje in het ziekenhuis. Dat vraagt om een netwerk en soms om geld – de trainingsdagen voor medische opleidingen verhogen je kansen, maar zijn duur.”

Universiteiten zeggen de laatste tijd: we worden te groot, we willen niet meer groeien. Leidt dat tot nog meer selectie?

„In Nederland hebben we altijd een heel egalitair hoger onderwijslandschap gehad, maar dat verandert. Er zijn bijvoorbeeld steeds meer University Colleges, die duurder zijn. De opwaartse druk is duidelijk zichtbaar. Mensen willen nu eenmaal hoog, hoger, hoogst. Als het niet hoger kan, dan ga je je in de breedte onderscheiden.”

Tegelijk is er een groeiend ongemak over de ongelijkheid.

„Klopt, er zit ook schaamte. Maar je moet de pushende ouders niet de schuld geven. Er zijn natuurlijk uitwassen en misstanden: ouders die een hoger schooladvies afdwingen bij de leraar, die hele profielwerkstukken maken voor hun kind. Maar ouders doen nu eenmaal wat in hun macht ligt om de kansen van hun kinderen te vergroten .”

Niet alle ouders kunnen dat.

„In Den Haag gaan ze een proef doen om ouders te trainen om er voor hun kinderen ook het beste schooladvies uit te slepen. Ik word daar heel treurig van. Je moet je afvragen: wil je deze wapenwedloop stimuleren? Moet je iedereen maximaal toerusten voor dat ene selectieve moment? Waarom bepalen we überhaupt zo vroeg de kansen van kinderen?”

De kansenongelijkheid is de laatste jaren gegroeid. Hoe kan dat?

„Er is een breuklijn te zien op het moment dat de eindtoets naar achteren werd geschoven [in 2015] en het schooladvies, het advies van de leraar, leidend werd bij de selectie voor de middelbare school. Cijfers tonen aan dat de ongelijkheid in schoolloopbanen toen in één klap flink is toegenomen.”

Hoe komt dat?

„We weten uit verschillende onderzoeken dat hoe minder je standaardiseert, dus hoe minder groot je de rol van gestandaardiseerde en objectieve toetsen laat zijn, hoe groter de kans op ongelijkheid. We weten ook dat leraren kinderen van ouders die zelf geen hoger onderwijs hebben gevolgd vaker een lager schooladvies geven dan je op basis van hun Cito-scores zou verwachten. Omdat ze denken: jij kan misschien wel naar het vwo, maar zonder ouders die je kunnen helpen met je huiswerk red je het niet. Maar moet het een voorwaarde zijn om ondersteunende ouders te hebben?”

Nou?

„Nee, dan sluit je leerlingen uit op basis van hun achtergrond. Bovendien is het onterecht. Leerlingen die net op de grens tussen twee niveaus scoren voor het voortgezet onderwijs redden het meestal gewoon op het hogere niveau. Dat kan dus ook zonder bijlessen of ouders die hun werkstukken schrijven. Leraren zijn vaak bang dat deze leerlingen te veel op hun tenen moeten lopen, maar weet je hoe naar het is om meer te kunnen en het dan niet te mogen? Leraren doen het met de beste bedoelingen, maar we moeten er vanaf. Het is gewoon systematische uitsluiting. Dat kunnen we niet accepteren.”

Critici zeggen: de emancipatie in het onderwijs heeft z’n werk gedaan. De universiteiten puilen uit, niks meer aan doen.

„Er zijn mensen die beweren dat de verheffing wel klaar is. Dat alle verborgen talenten nu wel zijn opgespoord en het vanaf nu gewoon een kwestie van IQ is. Onzin!”

Want?

„We zien bij gelijke prestaties in groep acht ongelijke adviezen. Kinderen van ouders die geen hbo of universiteit hebben gedaan, trekken aan het kortste eind, ongeacht hun werkhouding en intelligentie.”

Hoe moet het wel?

„Later selecteren. Niet leerlingen na groep acht rigoureus scheiden, maar in de onderbouw van het voortgezet onderwijs meer tijd en ruimte geven om de best passende route te vinden. Dat betekent niet dat iedereen hetzelfde onderwijs moet krijgen tot zijn vijftiende. Je moet wél differentiëren. Dat kan prima binnen een brede scholengemeenschap. Daar kun je de snelle kinderen meteen op een gymnasiumtrack zetten, terwijl je anderen de kans biedt om meer en vaker te wisselen van niveau. Sommige leerlingen beginnen nu eenmaal rustig en gaan pas later accelereren.”

Je kunt het oplossen van kansenongelijkheid niet alleen op het bordje van scholen en leraren leggen.

„Nee, maar het feit dat ongelijkheid buiten de muren van de school bestaat, ontslaat je niet van de plicht om bínnen de muren kansengelijkheid te bieden. Soms zeggen ouders: ‘Moet ik dan stoppen met voorlezen omdat het niet eerlijk is dat andere ouders níet voorlezen?’ Natuurlijk niet. Maar de school moet niet zeggen: ‘Als er thuis geen begeleiding is, kun je niet naar het vwo’.”

Lees ookZijn brede brugklassen de oplossing?