Opinie

Wéér wordt veel gezegd over de plichten van vrouwen, en wéér horen we niks over mannen

Karin Amatmoekrim

Toen ik in de jaren tachtig naar Nederland verhuisde, werd er veel gestreden. Ik herinner me mijn land van aankomst als een toneel van verhitte discussie, met journaalbeelden van puntig verzet tegen atoomenergie, punkers die verfbommen door de lucht gooiden en vrouwen met strijdleuzen in zwarte inkt op hun lichamen gekalkt.

De krakersbeweging vond ik spannend, waarschijnlijk omdat hun strijd nieuw voor mij was. De protesten tegen kernbommen vond ik belangrijk, omdat ik ook bang was voor de bom. Maar de vrouwen negeerde ik eerlijk gezegd een beetje. Opgroeiend bij een alleenstaande, werkende moeder was de zelfstandigheid van ons geslacht een vanzelfsprekendheid. Elke Surinaamse dochter van mijn generatie kent deze uitdrukking: je diploma is je eerste man. Het was een gezegde dat ons eraan herinnerde van mannen niets te verwachten. Niet zozeer vanwege het risico om in hen teleurgesteld te worden – teleurstelling was immers deel van het leven. Nee, je diploma is je eerste man, omdat je opleiding, je zelfstandig denken en je financiële onafhankelijkheid je eerste en je grootste liefde zouden moeten zijn. Dat leerde ik van mijn sterke (en inderdaad: onafhankelijke) moeder. Vrouwenrechten waren vanzelfsprekend. Dacht ik.

In die tijd (het was 1984) werd in Nederland de abortuswet aangenomen. Dat is erg kort geleden, als je erover nadenkt. Vóór dat jaartal liggen eeuwen aan overtuigingen over wat de rol en de positie van de vrouw is. Aannames en ideeën over in welke mate een vrouw mag en kan beslissen over zichzelf en haar lichaam. Er is in al die jaren veel meer gedacht en geschreven over de verantwoordelijkheid van een vrouw, over haar eer, over haar seksualiteit en haar plicht, dan dat er werd nagedacht over de verantwoordelijkheid van een man, over zíjn eer, zíjn plicht en zíjn seksualiteit. Het lichaam van de vrouw werd daarom een canvas waarop allerhande ideeën geprojecteerd kunnen worden, ideeën over wat goed is en wat slecht. Over wat een vrouw is, en wat zij zou moeten zijn.

De huidige ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar het recht op abortus weer op losse schroeven is komen te staan, geeft me het gevoel dat de menselijke ontwikkeling als een pendule beweegt. Met elke stap meer in de richting van vooruitgang, zet de zwaartekracht in en worden we teruggetrokken naar de plek waarvan we dachten dat we hem achter ons hadden gelaten.

Wéér wordt veel gezegd over de plichten van vrouwen, en wéér horen we niks over mannen. Veel over het belang van het ongeboren leven, waarvoor de verantwoordelijkheid volledig bij de vrouw ligt, en niets – excuses voor mijn taalgebruik – over het belang van je pik in je broek houden zodat je geen meisjes ‘per ongeluk’ zwanger schopt. De keurige en overvriendelijke vertegenwoordigers – zowel in de VS als in Nederland – lijken smetteloos in hun goede bedoelingen, met hun platitudes over hoe waardevol een mensenleven is. Intussen echter fluisteren ze een groeiend publiek levensgevaarlijke ideeën in. Aan alles wat deze beweging beweert, ligt de stilzwijgende aanname ten grondslag dat vrouwen niet in staat zijn de enorme verantwoordelijkheid en de onmetelijke complexiteit van het leven te begrijpen. Dat we daarom beschermd moeten worden tegen onszelf, misschien zelfs beperkt moeten worden in onze vrijheid. De suggestie dat er ook maar één vrouw is die achteloos en ondoordacht een zwangerschap afbreekt, is een onvoorstelbare belediging aan het vrouwelijke adres. Het is een belediging van ons intellect, van onze menselijkheid en niet in de laatste plaats van ons lichaam. Wij zouden canvas noch strijdtoneel moeten zijn.

Ik heb me vergist toen ik jonger was, besef ik nu. Vrouwenrechten zijn nog steeds verre van vanzelfsprekend. We zullen onze rechten moeten bevechten, zoals onze moeders dat deden, en zoals onze dochters dat waarschijnlijk ook zullen moeten doen.

Karin Amatmoekrim is schrijver en letterkundige. Ze schrijft om de week op deze plek een column.