We bewegen minder, komt dat door corona?

Gezondheid Jonge kinderen zijn meer gaan bewegen, maar hun ouders na een dag thuiswerken met de kinderen erbij niet. „Daar hadden ze de puf niet meer voor.”

Bootcamp in het Utrechtse Griftpark. Ook mensen tussen de 18 en 35 jaar zijn vorig jaar minder gaan bewegen.
Bootcamp in het Utrechtse Griftpark. Ook mensen tussen de 18 en 35 jaar zijn vorig jaar minder gaan bewegen. Foto Bram Petraeus

Enigszins teleurstellend zijn de cijfers wel: meer dan de helft van alle Nederlanders beweegt onvoldoende. Van alle Nederlanders vanaf vier jaar voldeed vorig jaar 47 procent aan richtlijnen zoals die vijf jaar geleden werden opgesteld door de Gezondheidsraad.

Die richtlijnen houden in dat volwassenen zich ten minste 150 minuten per week matig intensief inspannen, bijvoorbeeld wandelen en fietsen, of hevig inspannen zoals bij sportwedstrijden, en zich ten minste twee keer per week te buiten gaan aan ‘spier- of botversterkende activiteiten’, bijvoorbeeld traplopen, krachttraining, of touwtjespringen.

Een jaar eerder, in 2020, lag het percentage Nederlanders dat deze richtlijnen haalde iets hoger, blijkt uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met het RIVM, waarvoor mensen vragenlijsten invulden. Kinderen van vier tot twaalf jaar zijn iets meer gaan bewegen, vooral doordat ze meer buiten zijn gaan spelen en naar school zijn gewandeld. En ook 75-plussers zijn meer gaan wandelen.

Tieners

Daar staat tegenover dat tieners opnieuw niet voldeden aan de richtlijnen, slechts 36 procent van de jongeren tussen 12 en 18 jaar haalde de richtlijn. „Pubers hangen op de bank”, stelt hoofdsocioloog Tanja Traag van het CBS. Ook mensen tussen de 18 en 35 jaar bewogen vorig jaar minder; vooral zijn ze minder gaan fietsen naar hun werk en in hun vrije tijd.

Lees ook: De mens is gemaakt om te bewegen

Je zou kunnen denken dat de coronamaatregelen een rol hebben gespeeld. Het CBS laat dat in het midden. Maar Bas van den Putte, hoogleraar gezondheidscommunicatie aan de Universiteit van Amsterdam, signaleert dat vooral ouders in jonge gezinnen veel thuis werkten en niet fietsten naar hun werk. In hun vrije tijd, moe door de aanwezigheid van de kinderen thuis, gingen ze niet ook nog eens sporten of fietsen. „Daar hadden ze de puf niet meer voor.”

Ook Eco de Geus sluit een verband met corona niet uit. „Amerikaans onderzoek suggereert dat wel”, zegt de hoogleraar gedrags- en bewegingswetenschappen aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, tevens voorzitter van de commissie van de Gezondheidsraad die in 2017 de bewegingsrichtlijnen opstelde.

De mate van beweging is ongelijk verdeeld en afhankelijk, zeggen deskundigen, van je sociaal-economische positie. Hogeropgeleiden bewegen 10 procent meer dan lageropgeleiden en dit verschil, constateert Eco de Geus, zie je ook tussen autochtonen en Nederlanders met een niet-westerse achtergrond.

Rijke mensen leven gezonder dan arme mensen, stelt Willem van Mechelen, emeritus hoogleraar sociale geneeskunde – en voormalig leraar lichamelijke opvoeding. „Context stuurt gezondheidsgedrag”, zegt hij. „Gezond leven kost geld. Gezond eten kost meer dan ongezond eten.” Daar komt bij dat je neiging te bewegen wordt bepaald door je omgeving. „Is het normaal om een rondje te gaan fietsen? Of is dat afwijkend gedrag in jouw omgeving?”

Elke dag gratis sporten

Dat sociale normen voorschrijven, in reclames en campagnes, dat bewegen ‘goed’ is, verhoogt volgens Van Mechelen weliswaar de „kennis” en verhoogt de „attitude” van mensen, maar om mensen echt letterlijk in beweging te krijgen, zijn „gerichte maatregelen” nodig. „Laat jongeren elke dag gratis sporten. Of zorg dat je werknemers die op vijf kilometer afstand wonen weer zelf de trappers van hun fiets laten ronddraaien en niet een e-bike pakken.”

Daarvoor pleit ook hoogleraar Bas van den Putte. „Maak bewegen mogelijk en vooral gemakkelijk. Maak bewegen toegankelijk, goedkoop en zorg dat mensen het samen kunnen doen.” Deze strategie is des te noodzakelijker, omdat de mens van nature geneigd is juist niet te sporten en zijn energie te sparen. „In principe pakken mensen liever de lift dan de trap”, zegt Willem van Mechelen.

Je moet als overheid ook niet te snel zeggen dat sporten „leuk” is, zegt hoogleraar De Geus. „Sommige mensen hebben aanleg voor sporten, anderen niet. Als je belooft dat sporten leuk is en die belofte komt niet uit, bijvoorbeeld als ze tijdens het hardlopen in een groepje er maar een beetje bij hangen, dan zeggen ze: laat maar zitten. Zeg niet dat bewegen leuk is, maar dat het goed is voor je gezondheid.”

Lees ook dit opinie-artikel van neuropsycholoog Erik Scherder: Sporten onder werktijd – ook beter voor de baas