Opinie

Duitse intellectuelen ruziën over Oekraïne

Michel Krielaars

In Duitsland woedt een fel debat tussen voor- en tegenstanders van de levering van zware wapens aan Oekraïne. Het begon met open brieven aan kanselier Scholz. Zo pleitte feministe Alice Schwarzer in het tijdschrift EMMA samen met 27 andere intellectuelen tegen die wapenlevering, omdat die tot een Derde Wereldoorlog zou kunnen leiden. Tussen de ondertekenaars van die brief viel mijn oog vooral op de namen van zanger Reinhard Mey (Gute Nacht, Freunde) en de schrijvers Alexander Kluge, Robert Seethaler, Martin Walser en Juli Zeh.

In het andere kamp zitten behalve de schrijvers Wladimir Kaminer, Daniel Kehlmann, Eva Menasse, Herta Müller en Maxim Biller ook pianist Igor Levit en de prominente Ruslandhistoricus Karl Schlögel. Zij lijken me de verstandigste partij in dit nieuwe schisma binnen de Duitse intelligentsia, die wat zijn agressieve toon betreft zo onderhand de Historikerstreit van de jaren tachtig evenaart.

Het kamp Schwarzer bestaat uit typische Russlandversteher, zoals de sentimentele Ruslandbewonderaar Kluge, de adept van Willy Brandts Ostpolitik Walser en de kampioen van het moderne leven Juli Zeh. Schuldgevoel over de nazi-misdaden in de Sovjet-Unie speelt in hun denken ongetwijfeld een rol. We moeten lief zijn voor die arme Poetin om hem niet nog bozer te maken, is hun onderliggende boodschap.

Hun tegenstanders denken er uit eigen ervaring en deskundigheid veel realistischer over. Zo groeiden Kaminer, Biller en Müller op in een communistische dictatuur, schrijft Eva Menasse romans over de emotionele nasleep van Hitlers Jodenvervolging en is Schlögel een van de beste Ruslandkenners van Europa.

Volgens hen zal Poetin de oorlog uiteindelijk winnen als je Oekraïne geen zware wapens stuurt. De Europese veiligheid is dan nog meer in gevaar dan nu. Ook schrijven zij terecht dat de Russische leiding helemaal niet bang is voor de NAVO, maar wel voor het oprukken van democratieën in de landen die vroeger tot de invloedssfeer van Moskou behoorden.

Van Schlögel heb ik dertien magistrale boeken in mijn kast staan, met als hoogtepunt zijn cultuurgeschiedenis van de Stalinterreur (Terror und Traum. Moskau 1937). Eva Menasse publiceerde vorig jaar de geweldige roman Dunkelblum over het weggemoffelde antisemitisme in een Oostenrijks provinciestadje. Herta Müller schreef over haar jeugd in de dictatuur van Ceausescu. En Biller, die sinds de oorlog op 24 februari begon geen schrijver meer wil zijn, is als een in communistisch Tsjecho-Slowakije geboren en naar Duitsland geëmigreerd kind van Russisch-Joodse ouders van alle markten thuis.

Het bewijs daarvan las ik zijn onlangs in vertaling verschenen roman Zes koffers (Sechs Koffer). Het verhaal draait om zijn grootvader, die in 1960 in Moskou ter dood werd veroordeeld wegens smokkel. Hij is verraden door iemand uit zijn eigen familie. Zijn kleinzoon probeert via de lotgevallen van zijn vader en drie ooms de naam van die verrader te achterhalen.

Biller zet zijn familie met bittere humor neer en doet je beseffen dat een dictatuur als die van Poetin alleen kan overleven door verraad, volgzaamheid en het zaaien van paranoia. Schwarzer en haar vrienden zouden daarom eerst Zes koffers moeten lezen, voordat ze een oordeel vellen over die wapens. Pas dan kunnen ze Gute Nacht, Freunde zingen en rustig slapen.