In Brussel ontvluchtte Jeroen Brouwers de ‘Hollandse oppervlakkigheid’

Brouwers in Brussel Twaalf jaar woonde Jeroen Brouwers in Brussel. Het zou bepalend zijn voor zijn oeuvre.

Foto Vincent Mentzel

Brussel was twaalf jaar lang Jeroen Brouwers’ biotoop. Daar kon hij leven in de anonimiteit, dolen door lange straten die hem depressief maakten omdat ze geen einde kenden. Ook maakte hij zich er druk over het onuitroeibare minderwaardigheidscomplex van de Vlamingen. Maar in de eerste plaats voelde hij zich in die chaotische stad op zijn gemak, omdat niets hem er aan het aangeharkte Nederland deed denken. ‘Hollandse oppervlakkigheid’ was voor hem het ergste, schreef hij in Vlaamse jaren (1978).

Lees ook: Brouwers was een van de meest begenadigde en genadeloze polemisten van zijn tijd

Brussel was tevens het oord waar zijn helden Multatuli, E. du Perron en W.F. Hermans zich hadden gevestigd. Maar bovenal was de stad voor Brouwers een wereld die zijn fantasie in gang zette. Zo beschrijft hij in Vlaamse jaren een wandeling naar het BRT-gebouw, waar ‘een van de ontelbare mismaakten’ van de stad zit: ‘een man die behalve zijn linkerbeen ook zijn linkerarm, de linkerkant van zijn kaak, zijn linkerneusvleugel, zijn linkeroog mist, maar zijn rechterhand met het boekje met lotjes voor de loterij steekt hij energiek naar iedere voorbijganger op en met krachtige stem roept hij de datum van de eerstvolgende trekking en het klinkt, als je doorloopt zonder een lot te hebben gekocht, als een verwensing waarvan alleen al de klank je doet verstijven van wroeging. Struikel in Brussel over de blinden, kreupelen, doofstommen en andere kratessen en bied weerstand aan hun lotjes als je kunt en voel jezelf op zijn minst een ongelooflijke schoft.’

In die zinnen klinkt de gargantueske wereld door die je herkent uit zijn romans, zoals het met jenever overgoten De zondvloed (1988).

Het liefst liep hij in Brussel in de sporen van zijn dode literaire helden. In de Galeries St.-Hubert bijvoorbeeld, waar tussen de wereldoorlogen in de Taverne du Passage Du Perron, Greshoff, Van Schendel, Roland Holst, Ter Braak en Slauerhoff bijeenkwamen.

Lees ook: De strijd van Jeroen Brouwers en Rudy Kousbroek over Jappenkampen en de vrijheid van de schrijver

Multatuli was de querulant die hij wilde zijn, zoals later zou blijken uit zijn verzamelde polemieken Hamerstukken , waarin hij zijn vriend W.F. Hermans in zurigheid en opruierigheid evenaart en zelfs Karel van het Reve de oren wast als het over diens bewondering voor Elsschots stijl gaat.

Ondanks zijn haat-liefdeverhouding met België, hield Brouwers van Vlaamse dichters en schrijvers. Dat bleek uit zijn belangrijkste non-fictiewerk, het essayistische De laatste deur. Zelfmoord in de Nederlandse letteren (1983), waarvan in 2017 een met 700 bladzijden uitgebreide nieuwe editie verscheen. Een deel van de literaire zelfmoordenaars die hij hierin opvoerde waren vrienden die hij in zijn Brusselse jaren had leren kennen, zoals dichter Jotie T’Hooft en de schrijvers Dirk de Witte, Jan Emiel Daele, en Daniël Robberechts.

Robberechts (1937-1992) leidde net als Brouwers een teruggetrokken leven. Over hem schreef hij: ‘Ik weet waar Robberechts het over had. Ikzelf heb, uit afkeer van zo ongeveer alles buiten de muren van mijn huis, mijn leven op exact dezelfde manier ingericht als hij het heeft gedaan. Gevolg: wereldvreemdheid, mensenangst, introversie die snel en gemakkelijk leidt tot wat Robberechts „steriel gepieker” noemt.’ Het had over Brouwers zelf kunnen gaan.