Recensie

Recensie Boeken

Dit dagboek geeft een uniek beeld van Amsterdam tijdens de Duitse bezetting

Jodenvervolging Een onderduiker en een onderduikgever hielden, zonder dat ze het van elkaar wisten, allebei een dagboek bij. Tom Rooduijn schreef er een indrukwekkend boek over.

Het echtpaar Selma en Géza Weisz (links) en hun onderduikgever Fritz Rimathé.
Het echtpaar Selma en Géza Weisz (links) en hun onderduikgever Fritz Rimathé. Foto familiearchief/Géza Weisz. Bewerking NRC

Wat een geweldige vondst heeft Tom Rooduijn gedaan. Het is niet alleen het bijzondere gegeven dat Amstel 278 tot een indrukwekkend boek maakt: een onderduikgever en een onderduiker die, zonder dat ze dat van elkaar wisten, allebei een oorlogsdagboek bijhielden. Het is óók de kwaliteit van die dagboeken.

De onderduiker is Géza Weisz, een Hongaars-Joodse acteur die in 1933 vanuit Berlijn vluchtte naar Amsterdam. Hij is de vader van film- en televisieregisseur Frans Weisz en grootvader van de gelijknamige acteur. Zijn dagboek was sinds 1947 in handen van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (nu NIOD).

Het is vooral het tot nu toe onbekende dagboek van Fritz Rimathé, de onderduikgever, dat zo’n rijke bron bleek te zijn. Op de ochtend van 10 mei 1940, kort nadat de Wehrmacht Nederland is binnengevallen, draait hij een vel papier in zijn typemachine en begint te schrijven: Journal de Guerre. Fritz, een Zwitserse arts en psycholoog die in Nederland het farmaceutische bedrijf Hoffmann-La Roche vertegenwoordigt, besluit een dagboek bij te houden omdat hij alert wil blijven ‘zoals iemand die in een gletsjer is gevallen wakker moet blijven om niet dood te vriezen’.

Fritz is een scherp observator. Hij is analytisch, maar heeft ook oog voor details. Aan de hand van zijn dagboek schetst Rooduijn een krachtig beeld van het dagelijks leven in de hoofdstad tijdens de oorlogsjaren. Als de Zwitser na het schrijven van zijn eerste notities bij de Magere Brug de Kerkstraat inslaat, ziet hij dat bij de Duitse boekhandel op nummer 46 de ramen zijn ingegooid. Fritz is niet meteen fel anti-Duits. Eind mei maken de Duitse soldaten die hij in Amsterdam observeert nog een ‘correcte, welwillende’ indruk: ‘Anders dan het koren van de elitetroepen die vorige week de stad doorkruisten, is dit kaf heterogeen: dik en dun, groot en klein, blond en donker door elkaar – kennelijk beter geschikt als bezettingsmacht. ’s Avonds als ze verlof hebben, zijn ze nauwelijks van Nederlandse militairen te onderscheiden.’

Fritz kijkt ook kritisch naar zichzelf. Als hij in de kranten leest dat de Nederlanders te veel zijn ‘verblind’ door Engelse en Franse propaganda, dan vraagt hij zich af of er misschien ook bij hém onbegrip heerst voor ‘de ambities van het Derde Rijk’.

Knuppels en sabels

Maar Fritz heeft in toenemende mate moeite met de maatregelen tegen Joden. Op 16 juli 1940 ziet hij voor het eerst bordjes hangen bij twee kleine restaurants, een bar en een cafetaria: Voor Joden verboden. Als een soort verslaggever fietst hij door de stad en beschrijft hoe de Joden stap voor stap geïsoleerd worden. In februari 1941 worden vierhonderd Joden opgepakt nadat de Grüne Polizei bij ijssalon Koco slaags is geraakt met leden van een Joodse knokploeg. Fritz ziet dat het er hard aan toe gaat: ‘Op het plein bij de Portugese synagoge werden de mannen geslagen met knuppels en sabels en gedwongen tot ‘gymnastiekoefeningen’, waarbij de ongelukkigen die van uitputting vielen weer overeind werden geschopt.’

Hoe scherp Fritz is, blijkt ook uit wat hij in de winter van 1941 schrijft over de Joden: ‘Hun leven is vernietigd, hun lot bezegeld; ze gaan een vrijwel zekere dood tegemoet’. Dat is een jaar voordat hooggeplaatse nazi’s in een villa aan de Wannsee besluiten over een Endlösung voor de Joden.

Voortdurend komen er vrienden langs bij Fritz Rimathé en zijn vrouw Georgette, ook een actrice, met wie zij bespreken wat er om hen heen gebeurt. Wat opvalt is dat ze bijzonder goed geïnformeerd zijn, ondanks de censuur. Ze luisteren (illegaal) naar de BBC, lezen verzetskranten, en krijgen ook via via veel informatie. Zo horen ze bijvoorbeeld dat de (latere) filmregisseur Louis van Gasteren elders in Amsterdam een Joodse onderduiker heeft vermoord.

Ook Géza Weisz komt regelmatig op bezoek bij de Rimathés. Weisz heeft een Hongaars paspoort en Hongarije is een bondgenoot van nazi-Duitsland. Daarom hoopt hij lange tijd aan deportatie te ontkomen. Maar als de situatie er in de zomer van 1942 ook voor hem steeds somberder uit begint te zien, schrijft Fritz op een avond: ‘We weten wat ons te doen staat. Géza bij ons nemen. Dat betekent een zeer groot risico voor ons. Om nog maar te zwijgen van de verantwoordelijkheid. Maar hij is een vriend.’ Op de tweede verdieping van zijn huis laat Fritz een schuilplaats maken, waar Géza en ook de Joodse stiefvader van Georgette zich bij een inval kunnen verstoppen.

Dikke lagen jam

Omdat beide dagboekschrijvers openhartig zijn over hun emoties kan Tom Rooduijn een indringend beeld schetsen van het leven aan Amstel 278. Spanningen blijven niet uit. Tegen de afspraken in blijft Géza toch zijn vrouw Selma bezoeken, die een groot deel van de oorlog elders in de stad verblijft. Hij mist de seks, schrijft hij vrij onomwonden. Ergernissen zijn er ook omdat Géza weigert rekening te houden met het feit dat voedsel steeds schaarser wordt. ‘Géza eet, eet, en eet…’, schrijft Fritz, ‘ook stiekem, uit onze voorraden. Hij neemt vooroorlogse lagen met boter en jam. Het is pijnlijk er wat van te zeggen. Maar het móét, want het benadeelt ons uiteindelijk allemaal.’

Amstel 278 is een ongelooflijk rijk boek, dat de lezer meevoert in het – risicovolle – leven van twee interessante bewoners van de hoofdstad tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het laat ook zien aan welke risico’s Amsterdammers al die jaren bloot stonden. Bijna terloops maar met grote regelmaat schrijft Fritz over bommen die verkeerd terechtkomen en over geallieerde vliegtuigen die hij uit de lucht geschoten ziet worden om brandend neer te storten. Ondertussen voltrekt zich in zijn huis een drama van een heel andere orde.

Rooduijn beschrijft het allemaal zakelijk, zonder opsmuk – gelukkig. Dat heeft het verhaal namelijk niet nodig. Rooduijn kwam het dagboek van Fritz Rimathé op het spoor nadat hij eerder een radiodocumentaire maakte over Géza Weisz. Het is te danken aan een persoonlijke connectie dat hij het in handen kreeg. Een kleindochter van Rimathé, die hij opspoorde in Brazilië, vertrouwde het hem toe omdat hij de zoon is van Hans Rooduijn, die tijdens de oorlog werkte als secretaris voor de Zwitser. Het bewijst dat er driekwart eeuw na het einde van de Tweede Wereldoorlog nog altijd historische schatten te vinden zijn.