De strijd van Jeroen Brouwers en Rudy Kousbroek over Jappenkampen en de vrijheid van de schrijver

Indië-polemiek Heel ‘Indisch Nederland’ stond op zijn kop toen Jeroen Brouwers (1940-2022) in de jaren tachtig een felle pennenstrijd voerde met Rudy Kousbroek over de vraag of je fictie mag schrijven over de ‘jappenkampen’ in Nederlands-Indië.

Jeroen Brouwers in 1995
Jeroen Brouwers in 1995 Foto Vincent Mentzel

Eerst een provocatie, dan een zorgvuldig gedocumenteerde bron, vervolgens een overdrijving en dan toeslaan: dat is de formule van de polemieken van Jeroen Brouwers, die afgelopen woensdag overleed. Hij sleept de lezer mee in zíjn gelijk. Want hij voegt er nog een element aan toe: zijn persoonlijke betrokkenheid. Elke polemiek van Brouwers leest als een rechtvaardiging van onrecht dat hem is aangedaan.

Een foute zin? Brouwers ontstak in woede. Schrijvers rondom het literaire tijdschrift De Revisor die de ‘academici’ heetten in de jaren tachtig? Voor Brouwers was het alsof er ‘zandkorrels in de sla’ zaten. Genadeloos, zo’n polemiek, en altijd wilde hij dat er veel te lachen viel.

Brouwers is hogelijk geprezen als polemist, essayist, roman- en briefschrijver. In zijn polemieken komen al die genres samen, je leest ze als met springstof geladen proza. Zijn verpletterende Indië-roman Bezonken rood (1981) is, samen met Het verzonkene (1979), zo’n briljante mengvorm van stijlen.

Brouwers richtte zijn polemieken op de intriges in het Vlaamse boekenbedrijf in de zogenoemde Vlaanderenpamfletten, op de kneuterigheid en de ‘verdruilde jongetjesliteratuur’ van het jarenzeventigproza in Nederland en zoveel meer. De persoonlijke aanval schuwde hij niet.

Nooit stond een gekwetst auteur op om weerwoord te bieden. Ze lieten Brouwers min of meer schouderophalend betijen, hoewel hij zijn slachtoffer bijkans had gesloopt. Er is een uitzondering: iemand die Brouwers keihard van repliek diende, en dat was essayist Rudy Kousbroek (1929-2010). Kousbroek werd, evenals Brouwers, in het voormalige Nederlands-Indië geboren; de eerste op Sumatra, de tweede in Batavia (Java). Beiden zaten tijdens de oorlog in de zogenoemde ‘jappenkampen’, de Japanse interneringskampen voor burgers. En uit deze gedeelde ervaring kwam een van de belangrijkste polemieken voort die onze literatuur rijk is.

Lees hier de recensie van Het hout: We rammen de zonde er wel uit

Na de dood van zijn moeder publiceerde Brouwers Bezonken rood, zijn oorlogsroman over zijn allervroegste jeugd die hij samen met haar doorbracht in het vrouwenkamp Tjideng (nu Cideng) in een buitenwijk van Batavia, het huidige Jakarta. Brouwers, geboren in 1940, zat van zijn derde tot zijn vijfde in het kamp. In Bezonken rood beschrijft hij de verschrikkingen, vernederingen, verkrachtingen, martelpraktijken en meer beklemmende zaken die de geïnterneerde vrouwen moesten ondergaan, hen aangedaan door de Japanner, door Brouwers kortweg de ‘Jap’ genoemd.

Machinegeweer

Brouwers beschrijft de Japanner gewapend met machinegeweer die waakte in de wachtposten rondom het kamp en gruwelijkheden beging. Een citaat: ‘Een vrouw wordt door de Jap vol water gegoten tot haar dunne lichaam ervan uitpuilt en men het water in haar kan horen klotsen, zoals men water kan horen klotsen in een regenton. Dan begint de Jap met een stok op haar maag te slaan. Dan gaat de Jap met zijn laarzen op haar maag staan dansen.’

Kousbroek noemde de roman van Brouwers ‘een leugen’

Kousbroek ging uitzonderlijk tekeer tegen wat hij noemde de ‘leugens’ van Brouwers, de verzinsels en fantasmen die hij beschouwt als ‘agressieve en misplaatste wansmaak’, een aantasting van hoe het objectief gezien werkelijk was. Eerst deed Kousbroek dat in artikelen in NRC Handelsblad, die later werden gebundeld in Het Oostindisch kampsyndroom (1992). Kousbroek verwijt Brouwers ‘mooischrijverij, gesnoef, vleierij, grote woorden en vals pathos’. En: Bezonken rood ‘is een leugen’. Acht jaar later, in 1990, blikt Kousbroek terug op de pennenstrijd en dan verklaart hij het volgende: ‘Het is een polemiek met een lijk.’ Hij verklaart ‘die man gewoon dood’.

De felheid waarmee twee literatoren elkaar nagenoeg naar het leven stonden, wekte beroering. De cruciale vraag waar de schermutseling om draaide was die naar echtheid versus fictie, waarheid versus verzinsel. Brouwers ontstak in toorn en verdedigde zich door te zeggen dat Kousbroek nooit een roman had gepubliceerd, dat eenvoudigweg niet kon, en dat zijn boek tot het domein van de fictie behoort, waarin het toegestaan is verzonnen elementen te gebruiken. Volgens Kousbroek kenden de Japanse kampen geen wachttorens en, sterker nog, was er ‘nooit sprake van oorlogsmisdaden’.

Fictie en historische feiten

Er was en is in die hele polemiek meer aan de hand dan twee auteurs die elkaars oorlogsherinneringen betwisten. Afgezien van de intimiderende scheldpartijen van beide kanten raakt de polemiek aan een wezenlijke vraag, namelijk in hoeverre een auteur fictie mag bedrijven als het gaat om een historische gebeurtenis. Brouwers verdedigde zich met het argument dat een roman per definitie de plek is waar persoonlijke ervaring, fantasie, uitvergroting en literaire vrijheid domineren. Hij haalt het voorbeeld aan van Harry Mulisch, die in Het stenen bruidsbed (1959) schrijft dat de inwoners van Dresden tijdens het verwoestende bombardement in de Tweede Wereldoorlog veiligheid zochten in de rivier de Elbe. Dat kan helemaal niet: die rivier stond zelf in brand, kokend van de hitte. Maar als Mulisch dat geloofwaardig maakt, dan is dat aanvaardbaar.

Rudy Kousbroek weerlegde niet alleen de wandaden en oorlogsmisdaden van de Japanners, hij waste keizer Hirohito van alle smetten schoon en achtte hem onberispelijk tijdens de oorlog in Azië. Ook verweet hij Brouwers dat hij de Japanse kampen vergeleek met de Duitse vernietigingskampen en dat de beeldvorming van de Japanse kampen ‘made in Germany’ was. Brouwers deed kortom de ‘werkelijkheid geweld aan’. In een volgende stap ging Kousbroek zo ver de Japanse kampen bijna te verheerlijken en lotgenoten die daar bitter over dachten te verwijten aan een ‘Oostindisch syndroom’ te lijden, ofwel alles erger voor te stellen dan het was. Vergeet niet: Kousbroek was dertien toen de oorlog in Indonesië uitbrak, Brouwers tien jaar jonger. Wat de laatste vooral meemaakte was de vernedering van zijn moeder, de ‘mooiste moeder van alle moeders’. Die beelden heeft Brouwers zijn leven lang met zich meegedragen.

De discussie tussen Brouwers en Kousbroek ligt nu ver achter ons, net als het Nederlandse verleden in Indonesië. Maar afgesloten is die geschiedenis nog lang niet: we blijven worstelen met de vraag hoe we de waarheid over de gebeurtenissen die daar plaatsvonden kunnen onderscheiden van de verzinsels.

Lees ook: Brouwers was een van de meest begenadigde en genadeloze polemisten van zijn tijd

Machteloze doodverklaring

Intussen beleeft Brouwers roman Bezonken rood de 55ste druk. Onmiskenbaar heeft het duizenden lezers aangesproken, ontroerd, beklemd, doen nadenken over de kracht van fictie. In een ‘Eenmalig nawoord’ bij de 50ste jubileumeditie van de roman memoreert Brouwers de furieuze aanvallen van Kousbroek ‘culminerend in een machteloze doodverklaring’. Over de roman zelf noteert Brouwers: ‘Ik moet het allemaal hebben gezien, maar zoals een kind de dingen ziet. Vanuit dit kinderperspectief zijn de in Bezonken rood opgeroepen gebeurtenissen vergroot, verhevigd weergegeven.’ Ook voert Brouwers aan dat het ‘bevestigd [is] en erkend dat Tjideng op Java het ergste, het wreedste van alle Japanse burgerkampen was’. Brouwers baseert zich hierbij op een bron bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

Maar hoe de feiten ook precies waren, het is dankzij fictie en dus ‘vertekening’ dat Brouwers het aangrijpendste én mooiste Indië-proza heeft geschreven, alle aantijgingen ten spijt.