In een open gezin kan iedereen familie zijn

Open families wil de traditionele geslotenheid van het gezin openbreken en vindt daarvoor inspiratie bij queer gezinnen. „Als die mij een ding leren, is dat het verschil tussen bloed- en niet-bloedfamilie niet hoeft te bestaan.”

Illustraties Getty Images, bewerking NRC

Mijn geliefde – en vader van mijn kind – heeft een hele leuke kapper. Ze knipt voor zichzelf, dus eens in de zoveel tijd spreken ze ergens af. Toen onze baby drie maanden oud was, nodigde ze ons uit voor een knipbeurt op een feestje in een hippe galerie van een vriendin van haar. Die vriendin was jarig, en zij knipte daar de hele dag mensen. Het was een ‘safe space’, appte ze, onze baby kon gerust mee, er zouden taart en andere lekkernijen zijn. We besloten te gaan: we hadden allang niet meer iets feestelijks gedaan, we waren zelfs een beetje opgewonden na maanden thuiszitten vanwege corona en een baby.

Een belangrijk detail voor deze anekdote: de kapper van mijn geliefde valt op vrouwen. De vriendin van wie het feestje was óók. Op het feestje waren vooral mensen uit de ‘queer gemeenschap’.

Persoonlijk heb ik me altijd erg aangetrokken gevoeld tot die gemeenschap. Ik zag en leerde daar mensen kennen die met patronen wilden en durfden te breken. Door hen (en door boeken over queertheorieën) leerde ik mijzelf ook te bevrijden van traditionele genderrollen en bepaalde overtuigingen van hoe romantische relaties eruit horen te zien. Dat ‘losschudden’ van oude patronen en gedachtegangen gebeurde grotendeels tijdens de periode dat ik geen relatie had. Niet geheel onlogisch, want singles worden ook buitengesloten in onze samenleving waarin hetero de norm is, waarin je om seksuele en emotionele intimiteit te ervaren in een koppel moet leven met iemand van het andere geslacht. Waarin je niet mag verlangen naar iedereen. Écht verbinden doe je uiteindelijk met één iemand. Die romantische geliefde is de belangrijkste bron van intimiteit, vrienden en familieleden komen ‘daarna’.

Toen ik mijn geliefde ontmoette, probeerden we ook samen te breken met dat traditionele heteronormatieve gedachtegoed: door naast een leven samen onze individualiteit te bewaren – we woonden bijvoorbeeld niet samen – en intimiteit te blijven delen met anderen (intimiteit beperkt zich niet tot het lichamelijke, en zeker niet alleen tot seks). Als we er echt woorden aan moesten geven tegenover anderen, noemden we het een ‘open relatie’, al wisten we dat voor anderen meestal de connotatie enkel seks is. Voor mij ging het eerder over dat je voor elkaar, maar ook zeker voor anderen en jezelf zorgt. Dat voelde als breken met traditionele (rol)patronen. Als ik dus ergens bij hoopte te horen de afgelopen jaren, en me ergens thuisvoelde, dan was het bij de queergemeenschap.

Lees ook dit artikel van Daan Borrel: Draagmoeders zijn niet per definitie zielig of wreed

Het was in die galerie dat ik me ineens heel goed realiseerde dat ik daar niet (meer) bij hoorde. Vroeger, zonder baby op mijn buik en cisman aan mijn zijde, zag ik er misschien nog uit als iemand die de heteronorm ter discussie zou kunnen stellen, maar door mijn huidige verschijning leek hier voor de buitenwereld geen twijfel over mogelijk. Ik voelde het, ik zag het aan de blikken. Als wit heterogezin waren we op dat moment de belichaming van de norm (en van privilege).

En misschien hadden ze niet eens ongelijk, constateerde ik op de fiets terug naar huis. Het was door dat feestje dat ik me realiseerde hoe de komst van een kind ons in vrij snelle tijd heteronormatief had gemaakt. De eerste maanden na haar geboorte waren de meest intieme maanden van mijn leven geweest, geborgen en veilig, maar als familie waren we ook geslotener geworden voor de wereld, zochten meer bevestiging en veiligheid bij elkaar dan als stel daarvoor. Kan ik ook als (hetero)gezin nog queer zijn, vroeg ik me fietsend in stilte af. En hoe dan?

Bekeken voelen

Het woord ‘queer’ heeft meerdere betekenissen. Het is een synoniem voor mensen die zich identificeren als homoseksueel of non-binair, maar ook een algemenere term voor mensen die zich verzetten tegen de heteronorm; die het huidige systeem van uitsluiting bevragen. De uitsluiting zit bijvoorbeeld in het feit dat kinderen in Nederland wettelijk maar twee ouders mogen hebben, of in de overtuiging dat vaders minder goed zouden kunnen zorgen dan moeders: het zorgt allebei dat sommige mensen worden uitgesloten van intimiteit. In de breedste zin van het woord betekent queer: werken met utopische verbeelding. Je verbeeldt je constant een toekomst die eigenlijk onhaalbaar lijkt, zoals bijvoorbeeld een wereld zonder hiërarchie of kapitalisme.

De scheiding van deze drie betekenissen is belangrijk voor dit verhaal.

In het essay Net als iedereen anders in de Volkskrant liet Eke Krijnen zien dat lang niet alle regenbooggezinnen ook de norm willen doorbreken: sommige willen juist het liefste ‘normaal’ zijn, in die heteronormatieve samenleving passen. Net zoals er natuurlijk ook heterogezinnen zijn die deze patronen wel (willen) bevragen.

Waarschijnlijk overbodig om te zeggen, maar queer- en heterogezinnen komen voor in alle soorten en maten, en, zo schrijft Krijnen in haar essay, ze lijken ook in veel aspecten op elkaar: ‘Het ouderschap is overweldigend, prachtig, vermoeiend, grappig, gezellig en soms strontvervelend, maar bovenal: doodnormaal’. Tegelijkertijd zijn er ook wél verschillen. Ouderparen van hetzelfde geslacht hoeven zich bijvoorbeeld weinig aan te trekken van de gendernormen en vaste rolpatronen in de opvoeding, schrijft Krijnen, en daar tegenover hebben ‘regenboogouders specifieke vraagstukken in het ouderschap: wat doet het met je als je niet of juist wel biologisch verwant bent aan je kind? En hoe ga je om met vooroordelen uit de maatschappij over je gezin?’

Het belangrijkste verschil is misschien nog wel dat ouders van een regenbooggezin soms niet wettelijk erkend worden en zich vaker als familie onveilig of bekeken voelen in de publieke ruimte – een heteroseksueel gezin met kinderen wordt wereldwijd door vrijwel iedereen toegelachen.

Gelijkwaardige ouders

Dat een regenbooggezin dus niet geromantiseerd hoeft te worden (en zeker niet door een hetero cisvrouw als ik), blijkt ook uit de roman Detransition, baby (2021) van de Amerikaanse Torrey Peters. Daarin overwegen drie ‘vrouwen’ – een trans- en cisgendervrouw, en een man die vroeger transvrouw was en zich nog steeds ergens vrouw voelt – of ze samen een kind willen opvoeden. Deze baby, het toekomstige gezin, geeft alle drie de personages een manier om hun eigen vrouwelijkheid te vormen. Maar het blijkt dat alleen al fantaseren over dit gezin met drie mensen niet makkelijk is (waarvan ook nog eens twee queer en één hetero), en toch inspireert dit verhaal me enorm. Hoe ze openlijk spreken over welke rol ze willen en kúnnen spelen in de opvoeding, wat hun angsten en verlangens zijn, hoe ze (biologisch of niet) gelijkwaardige ouders kunnen zijn.

Lees ook: De niet-biologische ouder heeft voor eeuwig iets goed te maken

Het inspireert me in ieder geval meer dan de meeste romans over heteroseksuele gezinnen, waar die vragen niet of pas wordt gesteld als alles ‘misgaat’. Denk bijvoorbeeld aan Liefde, als dat het is (2019). Schrijver Marijke Schermer maakt de titel tot schrijnende vraag van haar roman: kun je dit huwelijk wel liefde noemen, deze verbintenis waarin alle individualiteit verdwenen is, waarin iedereen maar doet zoals het ‘altijd’ is gegaan? Waarin intimiteit binnen de grenzen van de kring van bloedverwanten blijft (tot het faliekant misgaat)?

Ik háátte de uitzichtloosheid die ik voelde tijdens het lezen (en ik denk Schermer ook, anders had ze het niet zo helder kunnen verbeelden). De beperkingen die aan het ‘heterogezin’ vastzitten in het verhaal. Het gesloten karakter ervan. Slot op de pot, en niemand mag meer meedoen.

Queer-verzet

Transvrouw Reese uit Detransition, baby heeft het ironisch én afkeurend over ‘gentrification of queerness’: een soort queer voor heteroseksuele yuppen die alleen het aantrekkelijke aan queer zien (maar bijvoorbeeld wel schrikken voor aids en andere nare zaken). Toch geloof ik – net als cisgendervrouw Katrina uit het boek – dat heterogezinnen kunnen leren van queergezinnen, en dat daarmee bepaalde ongelijkheden in de samenleving wél opgelost kunnen worden. Ons intieme leven, schrijven antropologen Rahil Roodsaz en Katrien De Graeve in het voorwoord van de door hun samengestelde essaybundel Intieme revoluties (2021), „is een terrein waar waarden, normen en (ongelijke) machtsverhoudingen in stand worden gehouden of versterkt.” En daarom kan intiem verzet; „het doorbreken van normen op het vlak van seks en relaties, bredere sociale verandering in gang zetten.” Met andere woorden: als we onze intieme levens anders inrichten, heeft dat wellicht invloed op hoe intimiteit, solidariteit, verbinding en zorg is georganiseerd in onze samenleving. Wie buiten de paden van traditie loopt in zijn/haar/hun persoonlijke leven, verandert ook structuren daarbuiten. Maar wat is het dan precies aan praktisch queer-verzet dat ik aan mijn heterogezin wil en kan geven?

De grootste verrassing voor mij: dat een kind een gezin, óók het heterogezin, open kan gooien

Na die knipbeurt in de galerie sprak ik afgelopen jaar met deze vraag in mijn achterhoofd met vele mensen. Met vrouwen die een kind voor iemand anders droegen en zichzelf ook moeder noemden van dat kind. Met vrouwen die een eicel weggaven en via die weg een uitgebreide familie creëerden. Met mensen die met méér dan twee (genetische) ouders kinderen opvoeden, met een alleenstaande moeder die een ‘hart-oma’ (geen genetische, maar een goede vriendin) vroeg bij haar en haar kind in te komen wonen. Ouders die vrienden zonder kinderen betrokken bij de opvoeding. Allemaal families die anders gevormd zijn dan op de traditionele manier, die méér intimiteit en verbinding creëren in de samenleving – precies wat ik ook wil(de) met mijn open relatie. Misschien kan ik op eenzelfde manier meer intimiteit creëren door ook mijn gezin, in navolging van mijn relatie, ‘open’ te noemen.

‘Mijn’ open relatie benader ik in eerste instantie als een denkoefening: als ik er niet van uit ga dat deze persoon verantwoordelijk is voor mijn geluk (en ja, dus ook seksuele behoeftes), en ik ook niet voor dat van hem, stel ik me dan anders op? Veranderen onze gevoelens als we ons realiseren dat die ander niet vanzelfsprekend is? Als hij niet voor mij moet zorgen? Als anderen dat óók doen? Het antwoord daarop zal voor iedereen verschillen, mij maakt het dankbaar, én het geeft me een blij gevoel: wij moeten niet alles met elkaar, we zoeken ook steun, verbinding en geluk bij anderen. Ik ben een rijker mens door de reflectie van meerdere mensen.

Denkoefening: wat gebeurt er als mijn vriend soms ook een ouderfiguur is voor andere kinderen, of als mijn kind een werkelijk oudergevoel heeft bij anderen? Waardeer ik dan minder of meer wat ik heb? Hoe verandert ons gedrag als hij en ik niet altijd de belangrijkste twee opvoeders zijn? Als hij en ik de emotionele en fysieke intimiteit van ons gezin niet altijd als voornaamste behandelen?

Radoslav Zilinsky

Twee zomers terug liep ik in een museum in Ljubljana tegen foto’s aan van een naakte vrouw die met haar borsten een puppy voedde. De kunstenares Maja Smrekar had zich voor het project The hybrid family (2015/2016) drie maanden afgezonderd, in die tijd haar lichaam getraind met een kolfapparaat en middels hormonen gezorgd dat ze borstvoeding kon geven aan haar honden. Met haar kunstwerk schopte ze tegen de schenen van de heteronormatieve maatschappij, stond in het begeleidende tekstje, en dan in het bijzonder welk idee die samenleving van een familie meebrengt. Waarom zien we dieren bijvoorbeeld niet als een gelijkwaardig familielid?

Nog steeds is het zogenoemde kerngezin (twee ouders plus genetische kinderen) de norm, en ik vind dat gezin als kenmerk een bepaalde geslotenheid hebben. In de eerste plaats omdat ze geen anderen bij hun familie betrekken: de intimiteit blijft daarmee binnen het gezin (de bloedverwanten). Ze zorgen vooral voor elkaar. Een partner, je kind: ze staan garant voor bevestiging van jou. Als jij voor hen zorgt, zorgen ze (later) voor jou. In de tweede plaats omdat ze zichzelf (meestal) geen vragen hoeven te stellen voor ze een familie beginnen.

Geen onderscheid

Toch was de grootste verrassing van ouder worden voor mij dat een kind een gezin, óók het heterogezin, open kan gooien. Ik heb mijn (schoon)ouders nog nooit zo regelmatig over de vloer gehad en het op die intieme manier delen van mijn leven geeft – na een eerste periode van wennen – een gevoel van veiligheid en verbondenheid die ik lang gemist heb, al realiseer ik me dat nu pas. Aan familie zit iets niet-vrijblijvends, en dat doet me realiseren hoe afhankelijk ik ook ben, en hoe fijn dat is. Ik hoop dat we méér familie kunnen vormen in onze samenleving, meer verbindingen tussen verschillende generaties, ook voor mensen die niet het geluk hebben van genetische oma’s en -opa’s, tantes, ooms, broers en zussen in de buurt. Want als queergezinnen mij een ding leren, is dat het verschil tussen bloed- en niet-bloedfamilie niet hoeft te bestaan. We hoeven geen hiërarchisch onderscheid te maken tussen die twee. Familie is familie.

In de podcast Met z’n allen achter de kinderwagen zoekt Daan Borrel samen met gasten uit hoe we minder individueel kunnen opvoeden.