Rijk gaat gemeenten sociale huur opleggen

Volkshuisvesting De Jonge wil sociale huur gelijker over het land verdelen. Woningcorporaties zijn blij. „Als het maar geen nep-sociale huur is.”

Illustratie Rik van Schagen

Een half miljoen arbeidsmigranten. 36.000 dak- en thuislozen – en vermoedelijk meer. Mensen die uit een zorginstelling komen, statushouders.

Ze hebben allemaal betaalbare huizen nodig. En die zijn er bij lange na niet genoeg.

Het is een taai probleem voor minister Hugo de Jonge (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, CDA). Terwijl de omvang van deze ‘aandachtsgroepen’ groeit, is het aandeel sociale huurwoningen gedaald: van 29,3 procent in 2015 naar 27,2 procent in 2020. Wie geen huis heeft, komt vaak in een negatieve spiraal terecht van schulden, bureaucratische problemen en psychische klachten. Met – los van het persoonlijke leed – hoge kosten voor de samenleving tot gevolg.

In het programma ‘Een thuis voor iedereen’, naar een gelijknamig rapport dat vorig jaar verscheen, presenteert De Jonge donderdag zijn beleid voor deze problemen. De meest in het oog springende maatregel: behalve méér sociale huur moeten de sociale huurwoningen ook gelijkmatiger over het land worden verdeeld. Iedere gemeente zou 30 procent sociale huur moeten hebben. Dat zou de leefbaarheid ten goede komen en voorkomen dat sommige gemeenten veel meer kwetsbare bewoners huisvesten, die zwaarder drukken op de toch al krappe begroting.

Het is een wensbeeld dat ver van de realiteit verwijderd is, bleek onlangs uit onderzoek van Trouw. De meeste gemeenten halen die 30 procent niet, en een flink deel bij lange na niet. Tweederde van alle gemeenten heeft minder dan 30 sociale huur, 40 procent van de gemeenten minder dan een kwart. Het handjevol gemeenten dat er ruim boven zit, bestaat bijna volledig uit grote steden. Groningen spant de kroon met 57,5 procent sociale huurwoningen. Dit was eind 2019: inmiddels zullen sommige gemeenten er sociale huurwoningen hebben bijgebouwd, maar het algemene beeld blijft overeind.

Rijkdomeilanden

Kees Diepeveen, wethouder Wonen voor de gemeente Utrecht (GroenLinks), die ver boven de norm zit, is blij dat er weer aandacht is voor volkshuisvesting en kwetsbare groepen. „Ik kan me voorstellen dat een norm voor sociale huur een beetje gaat helpen. Net zoals we in de stad streven naar gemengde wijken, moeten er ook in het land geen armoede- en rijkdomeilanden ontstaan.”

Maar lang niet alle gemeenten staan erom te springen. Ze zitten al met hoge kosten vanwege decentralisering van zorg en jeugdzorg, hebben te maken met verzet van bewoners tegen de komst van bijvoorbeeld statushouders. Sommige gemeenten proberen via de woningvoorraad hun bevolkingssamenstelling te beïnvloeden. Zo opperde de VVD-wethouder Arjen Maathuis van Almelo vorig jaar meer goedkope sociale huurwoningen te slopen en er middenhuur voor in de plaats te bouwen, zodat de sociale huurders uit Almelo naar omliggende gemeenten zouden verhuizen.

Leidt dat tot irritatie bij de grote steden, die wel een groot deel op zich nemen? Diepeveen merkt „best bereidheid” bij omliggende gemeenten om meer sociale huurders te huisvesten. Maar, zegt hij omfloerst: „Die bereidheid wordt niet altijd concreet gemaakt.” Dat armere en kwetsbare groepen nou eenmaal meer in de stad zouden wonen, vindt hij een kip-ei-discussie. „Mensen trekken weg omdat er in hun eigen gemeente geen betaalbare woning te krijgen is.”

Lees ook: Helft minder sociale huurwoningen door verhuurderheffing

Gemeenten die minder dan 30 procent sociale huur hebben, moeten er van De Jonge meer van gaan opnemen in hun nieuwbouwplannen. Gemeenten die erboven zitten kunnen zich juist richten op middenhuur.

In het uiterste geval moet de provincie ingrijpen. De Jonge werkt aan een wet die daar de juridische mogelijkheid voor moet geven.

De Woonbond en Aedes, de vereniging van woningbouwcorporaties, zijn blij dat er een norm komt voor het aandeel sociale huur per gemeente. Wel vinden ze van belang dat het om écht sociale woningbouw gaat. „En niet om nep-sociale huur”, zegt Aedes-voorzitter Martin van Rijn. „Woningen die binnen een paar jaar weer de vrije sector in gaan, daar hebben we niks aan. Daarom dringen we aan op een goede definitie van sociale huur.”

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten is kritischer. „We moeten geen grote hoeveelheden sociale huurwoningen toevoegen als in een regio de bevolkingssamenstelling, de woningvoorraad en de prijzen daar geen aanleiding voor geven”, schreef ze aan de Tweede Kamer.

Neem de gemeente Tubbergen in Overijssel. Ongeveer 85 procent van de woningen is koop, de rest particuliere en sociale huur. „Er geldt hier van oudsher een cultuur van eigenwoningbezit”, zegt Erik Volmerink, wethouder Wonen (CDA). „Jongeren blijven desnoods langer thuis wonen om uiteindelijk hun gewenste woning te bouwen. Ook zelfbouw zit hier in de genen.” 30 procent sociale huur is voor Tubbergen veel te veel. „Tot voor kort was er helemaal geen vraag naar. Het zal ertoe leiden dat nog minder bewoners de juiste woning in hun eigen gemeente kunnen vinden en vertrekken.”

Ook Paul Slettenhaar, wethouder Wonen in Castricum (VVD), vindt: daar gáát De Jonge niet over. „Hij kan beter zorgen dat er gebouwd kán worden, dat provincies niet dwarsliggen. Dáár is de minister voor.” Dat Castricum een socialehuuraandeel heeft van zo’n 17 procent, is historisch zo gegroeid. „In nieuwbouwprojecten bouwen we 35 procent sociaal.” Ontwikkelaars bekostigen sociale huur doorgaans met woningen in het dure segment. Dat gaat weer ten koste van middenhuur. Slettenhaar: „Daar is óók een groot tekort. Wij willen alle doelgroepen helpen. Maar dan moet het Rijk echt met geld over de brug komen.”

„Tja”, reageert Aedes-voorzitter Van Rijn op de suggestie dat De Jonge met een socialehuurnorm zijn boekje te buiten gaat. „Iedereen roept de hele tijd om meer regie in de ruimtelijke ordening. Nou, dit is er eentje.”