Domweg gelukkig in decadent Berlijn

Achtergrond | Erich Kästners ‘Fabian’ Een moderne zoektocht naar liefde en geluk in crisistijd, dat maakte filmmaker Dominik Graf van de ongekuiste versie van de beroemde roman ‘Fabian’ van Erich Kästner.

Gedoemde liefde: Fabian (Tom Schilling) en Cornelia (Saskia Rosendahl) in ‘Fabian oder Der Gang vor die Hunde’.
Gedoemde liefde: Fabian (Tom Schilling) en Cornelia (Saskia Rosendahl) in ‘Fabian oder Der Gang vor die Hunde’.

Het is gek om te bedenken dat de roman van Erich Kästner waarop de film Fabian oder Der Gang vor die Hunde is gebaseerd, op 10 mei 1933 op de Bebelplatz midden in Berlijn door de nazi’s in het vuur is gegooid.

Sterker nog, Kästner (1899-1974) was zelf als anonieme toeschouwer aanwezig bij die grootscheepse verbranding van boeken met een ‘on-Duitse geest’ door de nazi’s. Hij hoorde nazi-studenten in uniform dus (vrij vertaald) roepen: „Tegen decadentie en moreel verval, vóór tucht en zeden in het gezin en de staat! Aan de vlammen schenk ik het werk van Heinrich Mann, Ernst Glaeser en Erich Kästner.”

Kästner, bekend Duits humoristisch en antimilitaristisch dichter en schrijver van het immens populaire en in 1931 al verfilmde kinderboek Emil und die Detektive, werd herkend door een vrouw in het publiek. Die riep zijn naam. Hij wilde vluchten, schreef Kästner in een herinnering, maar omdat er verder niets gebeurde, bleef hij toch nog even kijken: „De boeken bleven het vuur in vliegen”, schreef Kästner, en de pas benoemde nazi-cultuur- en propagandaminister Joseph Goebbels bleef tirades afsteken.

Het is duidelijk dat de nazi’s met hun beroep op ‘tucht en zeden in het gezin’ doelden op Kästners in 1931 verschenen satirische roman Fabian. Die Geschichte eines Moralisten, zoals het boek toen heette. Want dat is een boek vol ontucht, over een jonge werkloze academicus Jakob Fabian, die het decadente Berlijn naar de haaien ziet gaan in die tijd van economische, politieke crisis. En ook een crisis van de seksen: zich emanciperende vrouwen en homoseksuelen tastten de traditionele man-vrouwverhoudingen aan.

Neem de scène over het mannenbordeel dat een van de vrouwelijke personages, Irene Moll, in wuft Berlijn heeft opgezet, om rijke dames tegen betaling te laten genieten van jonge mannen: de Vereniging van Onchristelijke Jonge Mannen, noemt Kästner het bordeel, met een knipoog naar de zedige YMCA, de Young Men’s Christian Association.

Seksuele ambities

De hoofdpersoon Jakob Fabian (gespeeld door Tom Schilling in de film) moet er niks van hebben. Ook al biedt Irene Moll hem er als werkloze een baan aan. Als boekhouder welteverstaan, want als jonge dertiger is hij natuurlijk te oud als speeltje voor de damesklandizie.

Jakob Fabian is Irene Moll, die volkomen open over haar seksuele ambities is, al eerder tegengekomen: zij heeft hem mee naar haar huis genomen nadat ze elkaar in een nachtclub hebben ontmoet. Ze wil met hem naar bed, maar voor het zover is, blijkt Fabian eerst een contract met Molls echtgenoot te moeten tekenen, dat Fabian de seksuele plichten van haar man overneemt. Fabian voelt daar niks voor. Irene Molls man klaagt tegen Fabian: „Haar onderlijf is me om het zo te zeggen boven het hoofd gegroeid.”

Erich Kästner in 1940.

Foto ANP / Mary Evans Picture Library Ltd.

Dat citaat zit in de film van Fabian oder Der Gang vor die Hunde van de Duitse regisseur Dominik Graf, die nu in Nederland uitkomt. Daaruit blijkt dat hij zich gebaseerd heeft op de oorspronkelijke, maar pas in 2013 verschenen, ongekuiste versie van Kästners boek.

Want in 1931 vond de uitgever veel passages in Kästners boek te vrijmoedig en te confronterend. Zoals die uitspraak van Molls echtgenoot. Kästner moest die, en andere stukken tekst, schrappen en delen herschrijven. Ook Kästners oorspronkelijke titel voor zijn satire, ‘Der Gang vor die Hunde’ (‘naar de haaien gaan’) vond de uitgever te somber. Kästner ging akkoord, en zo verscheen in 1931 het gekuiste boek als Fabian. Die Geschichte eines Moralisten. Omdat Kästners oorspronkelijke manuscript zoekraakte, bleef dit ‘verhaal van een moralist’ de enige versie, totdat het origineel in 1999 in een archief ontdekt werd.

Lees meer over de serie ‘Babylon Berlin’: ‘Drank, dans en moord in de Jazz Age’

Vandaar dat de eerste verfilming van Fabian uit 1980 van de Duitse regisseur Wolf Gremm tamelijk getrouw de zelfgecensureerde versie uit 1931 volgt. Met uitgebreide cabaret- en bordeelscènes, uiteraard met blote dans. Het is geen slechte film, maar goed zichtbaar is hoe bepalend voor het filmbeeld van Berlijn in de jaren dertig de film Cabaret uit 1972 was, met Liza Minnelli als Berlijnse nachtclubzangeres. Het is het beeld van ‘dansen op de vulkaan’: feestvieren terwijl de ondergang in de vorm van de nazi-terreur er duidelijk aankomt. Dat zie je ook in de recente Duitse tv-serie (en Netflix- en Videolandhit) Babylon Berlin .

Zo’n film heeft Dominik Graf met Fabian oder Der Gang vor die Hunde niet willen maken. Hoewel hij wel verbanden tussen de crisis in Duitsland toen en nu ziet, wilde hij geen waarschuwende film maken, zei hij in een interview.

De nazi-dreiging komt steeds terloops in beeld, zijdelings. Hij wilde het alledaagse van het Berlijn uit begin jaren dertig vangen, toen nog niet duidelijk was hoe fout alles zou gaan. En hij concentreert zich erop hoe Fabian als jonge man naar een houding ten opzichte van de crisis zoekt – en probeert liefde en geluk te vinden. In Kästners roman wordt Fabian verliefd op Cornelia Battenberg, een juriste uit de filmwereld die filmster wil worden (en aanpapt met een regisseur). Maar als Fabian werkloos wordt, en zij kiest voor haar carrière, kan hij dat niet aan. Fabian kan zich niet binden aan een moderne, werkende, geëmancipeerde, onafhankelijke vrouw – in die tijd een nieuw verschijnsel.

Lees hier de recensie van ‘Fabian oder Der Gang vor die Hunde’

Toch nog hoop

Graf heeft dat aspect van Kästners verhaal gemoderniseerd. De nadruk lijkt daardoor in deze film, meer dan in de Fabian-film uit 1980, toch op hoop te liggen. Op het proberen, ondanks de crisis waarvan je niet weet hoe die afloopt, er nog wat van te maken; van de liefde, van het leven, van het geluk. Dat wordt onderstreept door een liedje waarvan je in de film voortdurend het energieke begin hoort. In verschillende scènes wordt een grammofoonplaat opgezet met een authentieke hit uit 1933, ‘Immer wenn ich glücklich bin’ van de joodse jazzband de Weintraubs Syncopators, uit een film die net nog gemaakt is voor Hitlers machtsovername in dat jaar: ‘Immer wenn ich glücklich bin, glücklich bin, muss ich vor Freude schrecklich weinen’. (‘Steeds als ik gelukkig ben, moet ik van blijdschap vreselijk huilen’).

Het lied klinkt eerst heel vrolijk en opgewekt. Maar doordat het steeds opnieuw weerklinkt, krijgt het door die herhaling, en de historische context, iets wanhopigs. Tragisch. Zodat het niet uit de toon valt, dat de film eindigt met historische beelden van de boekverbranding in Berlijn.