Recensie

Recensie Theater

Rayen Panday is grappig maar niet erg duidelijk

Cabaret Stand-upcomedian Rayen Panday is een innemende verteller bij wie voldoende te lachen valt, maar zijn pogingen tot verdieping werkt hij onvoldoende uit. Wat overblijft, is gelukkig genoeg.

Rayen Panday tijdens zijn voorstelling ‘Focus’.
Rayen Panday tijdens zijn voorstelling ‘Focus’. Foto Jurriaan Hoefsmit

Rayen Panday (39) is een sterke stand-upcomedian en in Focus rijgt hij met soepele timing geestige anekdotes aaneen. Over de voordelen van ex-vriendinnen met dezelfde naam, over clichématig series bespreken en over een bouwvakker genaamd Frits. Het is erg moeilijk om Panday niet sympathiek te vinden, mede omdat hij niet de alfaman is die vooral anderen de maat neemt. Het is gezellig bij Panday: hij is de geestige en charmante schoonzoon die zo nu en dan een harde grap maakt („Waar is Alec Baldwin als je hem nodig hebt?”).

In de eerste helft van de voorstelling schakelt Panday vlot tussen verschillende nummers. Ondertussen heb je ruim de tijd om het decor te bestuderen: vijf grote portretten in een soort glas-in-loodeffect hangen enkele meters boven de grond. We herkennen Mohammed Ali, Jezus Christus, Pamela Anderson, een barbier en een Cruella de Vil-achtige feeks. Het wekt nieuwsgierigheid en vooral: verwachtingen.

De tweede helft biedt een poging tot inlossing hiervan. Het blijkt te gaan over heilige huisjes, waar mogen wel en niet grappen over worden gemaakt. Panday vertelt over iemand die sommige mensen liever níét afgebeeld zien: de profeet Mohammed. Ondanks zijn onbegrip hiervoor, ziet hij ook niet de zin ervan het daarom juist wél doen.

Lees ook het interview met Rayen Panday: ‘Mensen vinden me gewoon leuk, maar ik kan duister zijn’

Innemende verteller

Het vormt de opmaat tot de kern van de voorstelling, Panday herkent een onderscheid tussen ‘grap’ en ‘onderwerp’. Je moet alle grappen kunnen maken, want daarmee bespot je niet het onderwerp van de grap, vertelt hij. Hij probeert het te verduidelijken middels enkele stereotype imitaties van onder meer een Nederlandse Chinees en een Turk. Racisme kan niet door de beugel, grappen erover maken wel, zoiets lijkt Panday te willen zeggen. Geen al te verheffend of origineel standpunt, maar de manier waarop Panday erover praat en erbij en kijkt, voedt het idee dat hier in zijn ogen wat groters wordt aangekaart. Wellicht, maar duidelijk wordt dit niet.

Iets vergelijkbaars geldt voor het verhaal over Rosa Parks. Zij blijkt niet de eerste zwarte busreiziger te zijn die in protest ging tegen discriminerende wetten. Interessant, maar ook hierbij: het blijft in de lucht hangen wat Panday precies wil zeggen met zijn bevinding dat er een verschil bestaat tussen verhalen die ‘werken’ en verhalen die ‘waar’ zijn.

Wat overblijft is gelukkig genoeg. Panday is een innemende verteller bij wie voldoende te lachen valt. Zeker de anekdote over zijn familie die slaags raakt in de vertrekhal van Schiphol is sterk („Ik was blij dat Joris Linssen er niet was”): mooi en geestig tegelijk. Wel is het jammer dat Panday de verwachtingen die hij wekt niet helemaal kan inlossen. Hij wil graag wat zinnigs zeggen over de woke¬-cultuur, maar het beeld dat vooral blijft hangen is dat hij nog niet precies weet wat hij er nou van moet vinden.