Opinie

Voor of tegen abortus? Nederlandse media doen alsof het zó simpel is

Madeleijn van den Nieuwenhuizen

In de zomer van 2021 werd ik, als rechtshistoricus, uitgenodigd door een radioprogramma van de Evangelische Omroep. Om te praten over het omstreden abortusverbod dat Texas probeerde in te voeren (waarbij o.a. Uberchauffeurs medeplichtig zouden zijn wanneer zij zwangeren naar een kliniek reden). Na een uurtje inlezen en heen en weer appen met de EO-redacteur werd het duidelijk wat ze in gedachten hadden. Geen analyse van de situatie gerechtelijke ontwikkelingen in Texas, maar discussie. Ik zou ‘pro-abortus’ zijn, en een vrouwelijke SGP’er was tegen. „We horen graag de twee kanten die horen bij dit verhaal”, zalfde de redacteur. Er stonden tien minuten voor het item. Trek daar de introductie en twee geluidsfragmentjes van af, en wat je overhoudt zijn zes minuten voor het vraagstuk: zou het laten aborteren van een foetus door de staat gelegaliseerd en gefaciliteerd moeten blijven? Ik bedankte voor de eer.

In 2020 kwam het onderwerp abortus ter sprake bij talkshow De Vooravond. Te gast was Rebecca Gomperts. Na kort te hebben gevierd dat Gomperts door Time Magazine op de lijst meest invloedrijke mensen ter wereld was gezet, stelde presentator Renze Klamer dat hij het jammer vond dat gesprekken over abortus altijd ‘in het extreme’ worden gevoerd. Met enerzijds de felle vleugel van de anti-abortuslobby die plastic foetussen door brievenbussen wierp, en aan de andere zogenaamd extreme kant: „baas in eigen buik”. Zijn collega Fidan Ekiz omschreef kort erna met verwondering de „feestelijke stemming eromheen”, waarmee ze doelde op abortus. In de woorden van NRC-televisierecensent Arjen Fortuin „plofte er bij het onderwerp abortus ineens een ‘maar’ op tafel”.

Die ‘maar’ is echter nog altijd flink in de minderheid. Onderzoek wijst uit dat een robuuste driekwart van de Nederlandse bevolking vóór het recht op abortus is. Slechts tien procent is overtuigd tegen. Mede daardoor is de kans dat Nederland de legale abortus afschaft zeer klein. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, of Polen, zou afschaffing hier niet afhankelijk zijn van de grillen van een negental al dan niet conservatieve rechters – wij hebben geen Hooggerechtshof dat onze grondrechten toetst en aanpast – hier zou afschaffing via de Eerste en Tweede Kamer lopen. En zolang er geen groot draagvlak is onder de bevolking, zal abortus dus niet zomaar worden afgeschaft.

Nu werkte ik de afgelopen maanden aan een boek over abortusrecht. Het staat hier niet ter discussie zoals het in de VS ter discussie staat. Dat betekent niet dat er hier geen relevante kwesties spelen rondom abortuszorg. Toegang bieden tot een abortus-ingreep bleek bijvoorbeeld geen prioriteit tijdens de pandemie – voor kwetsbaren of zwangeren met covid-symptomen was het niet mogelijk een abortuspil toegestuurd te krijgen. Ook wordt abortus niet voor iedereen vergoed: klinieken mogen zelf bepalen of en hoeveel korting ze geven aan mensen die niet verzekerd zijn onder de Wet Langdurige Zorg, zoals ongedocumenteerde zwangeren. Daarnaast staat abortus bizar genoeg nog steeds in het wetboek van strafrecht, waarmee het niet dezelfde juridische status heeft als een reguliere medische ingreep.

Dat er deze week gealarmeerd werd gereageerd op de hoogstwaarschijnlijk aanstaande afschaffing van federaal abortusrecht in de VS, snap ik. Maar te vaak willen Nederlandse media ons met een kluitje in het riet, met een hier niet aan de orde zijnde voor-of-tegen-behandeling van de kwestie. Er is genoeg te bespreken op het gebied van abortus, zonder dat media hoeven te zwichten voor de even hijgerige, als gemakzuchtige vergelijking met de situatie in de Verenigde Staten.

Madeleijn van den Nieuwenhuizen schrijft om de week op deze plaats een column.