Opinie

Zwijgen terwijl de boel bergafwaarts gaat

Ellen Deckwitz

Dinsdagavond liep ik met vriend L. langs de grachten. Er stond een milde lentebries, de merels zongen zichzelf een klaplong, fietsers staken zowaar hun hand uit. Ter hoogte van Carré konden we niet meer verder omdat daar het podium voor het Concert op de Amstel werd opgebouwd.

„Het wordt een beladen 5 mei dit keer”, mompelde L. Ik haalde mijn schouders op. Ik heb er nooit zoveel mee gehad. Misschien kwam dat door mijn grootmoeder, die elk jaar riep dat het slechts een dag was om te feesten in plaats van te reflecteren. Misschien ook doordat de Siamese tweelingzus van de vrijheid, de democratie, hier al een aardige tijd onder druk staat.

In het Radio 1-debat voor de gemeenteraadsverkiezingen in maart buitelden diverse fractievoorzitters nog over elkaar heen om te roepen dat we de onze juist in dit soort tijden moeten koesteren. Ze gingen er voor het gemak maar even aan voorbij dat de democratie hier ook niet al te lekker gaat. Onder de kabinetten-Rutte is de rechtsstaat aangetast, vieren netwerkcorruptie en lobbyisme hoogtij. Bij de overheid lijken de belangen van bestuurders zwaarder te wegen dan die van het electoraat.

„Nou, nou”, zei L. na dit allemaal te hebben aangehoord. „Dat klinkt allemaal wel heel pessimistisch. We hebben hier tenminste nog vrijheid van meningsuiting.”

Ik wilde antwoorden dat je daar weinig aan hebt wanneer de top toch gewoon lekker zijn eigen gang gaat, maar besloot mijn mond te houden. Misschien was het mijn bui. Iemand als L., een man getrouwd met een man, mag hier niet klagen. En ik heb tijdens mijn wereldreizen genoeg corruptie meegekregen om te weten dat het in Nederland, voor zover we kunnen zien dan, meevalt.

Maar toch. Stellen dat het veel erger kan, wil niet zeggen dat je niet hoeft in te grijpen, laat staan te zwijgen, wanneer de boel bergafwaarts gaat. Je wil straks niet terugkijken en ontdekken dat de democratie voor je ogen verbrokkelde terwijl jij je blik afwendde.

L. en ik keken toe hoe het Bevrijdingspodium verder vorm kreeg. Er werd getimmerd en geboord. Mannen in hesjes liepen af en aan. Uit het Amstelwater kneedde de wind tijdelijke bergjes.

„We hebben het toch nog best goed hier?”, zei L. aarzelend. Ik haalde mijn schouders op, veegde een vuiltje van zijn legerjas.

Boven de geluidsboxen werd een plastic luifel opgehangen, zodat het spel straks niet door neerslag zou worden verziekt.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.