Recensie

Recensie Beeldende kunst

Bij beeldhouwer Donatello dansen de putti net iets te wild

Tentoonstelling Een ongekend omvangrijke presentatie in Florence van beelden en reliëfs van Donatello bevestigt zijn status als veelzijdig en toonaangevend kunstenaar.

Donatello, Feestmaal van Herodes (1423-1427) na de schoonmaak.
Donatello, Feestmaal van Herodes (1423-1427) na de schoonmaak. Foto Bruno Bruchi/ Opera della Metropolitana

De middeleeuwse prins Lodewijk van Anjou zag af van zijn rechten op de troon van Napels. In 1296 besloot hij toe te treden tot de franciscaner kloosterorde en daarmee gaf hij zijn wereldlijke aanspraken en ambities op. Terwijl zijn jongere broer Robert hun vader Karel II zou opvolgen als koning van Napels, schopte Lodewijk het tot bisschop van Toulouse, en na zijn dood zelfs nog tot heilige. Deze geschiedenis speelt een rol in de manier waarop de vijftiende-eeuwse Florentijnse beeldhouwer Donatello critici pareerde die het hadden gemunt op een zekere onbeholpenheid in de uitvoering van een meer dan levensgroot, verguld bronzen beeld dat hij tussen 1418 en 1425 had gemaakt van de heilige Lodewijk. Volgens de zestiende-eeuwse kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari stelde Donatello dat die onbeholpenheid opzet was „omdat Lodewijk de Heilige zo onbeholpen was geweest zijn koninkrijk te laten schieten voor een klooster”.

De anekdote klinkt als een wel heel vroeg voorbeeld van een kunstopvatting waarin de gekozen artistieke vorm een weloverwogen uitdrukking is van de persoonlijkheid van een uitgebeelde persoon. Maar in werkelijkheid gaat het om een kunstenaar die, misschien ook wel ter maskering van gekrenkte eigendunk, op een gevatte en zelfbewuste manier zijn keuzes rechtvaardigde. Dat past bij de kunstenaars in het Florence van de vijftiende eeuw die, elkaar bewonderend en beconcurrerend, eigenzinnig en trots, vorm gaven aan de kunst van de Renaissance.

Als weinig anderen drukte Donatello zijn stempel op de kunst van de vroege Renaissance

Donato di Niccolò di Betto Bardi, beter bekend als Donatello (1386-1466), heeft gedurende zijn lange carrière als weinig anderen zijn stempel gedrukt op de kunst van de vroege Renaissance. Kritiek op zijn werk moet zeldzaam zijn geweest: de productieve Donatello was in zijn tijd een van de meest succesvolle en bewonderde kunstenaars en zou dat ook later altijd blijven. De oppermachtige Florentijnse bankier en kunstliefhebber Cosimo de’ Medici was voor hem niet alleen een belangrijke opdrachtgever maar beschouwde hem ook als persoonlijke vriend. In marmer, terracotta, brons en hout maakte Donatello beelden en reliëfs voor prominente plaatsen in Florence, zoals de Dom en het Baptisterium, het hoofdkwartier van de Florentijnse gilden Orsanmichele, en de Medicikerk San Lorenzo. Vanaf 1443 verbleef Donatello tien jaar lang in de Noord-Italiaanse stad Padua, waar hij een kolossaal ruiterstandbeeld maakte van de legeraanvoerder Gattamelata, en een ambitieuze decoratie op het hoogaltaar van de kerk van Sant’Antonio met grote vrijstaande bronzen heiligenbeelden en vertellende reliëfs.

Donatello, David (1408–1409)
Foto Bruno Bruchi/ Museo Nazionale del Bargello
Donatello, David (1435–1440)
Foto Bruno Bruchi/ Museo Nazionale del Bargello

Twee Davids

Veel van deze monumentale werken zijn onverplaatsbaar, en wie toch in Florence is kan er gemakkelijk een paar opzoeken. Des te indrukwekkender is de prachtige tentoonstelling Donatello, de Renaissance die nu te zien is op twee locaties in die stad, Palazzo Strozzi en het sculptuurmuseum Bargello. De tentoonstelling biedt aan de hand van werken uit de eigen collectie van het Bargello en bruiklenen uit lokale en internationale collecties een tot dusverre ongekend overzicht van een vijftigtal min of meer handzame, maar soms ook onverwacht omvangrijke werken van de hand van de meester. Daarnaast zijn er enkele tientallen sculpturen en schilderijen van fameuze tijdgenoten zoals Masaccio, Andrea del Castagno en Verrocchio, die in stijl, compositie of motieven, inspiratie hebben ontleend aan Donatello’s werk.

In het werk van de jonge Donatello weerspiegelt zich de overgang van de late Gotiek naar de Renaissance. Hoewel de precieze datum onbekend is, moet hij in 1386 geboren zijn. Hij ging in de leer bij edelsmid en beeldhouwer Lorenzo Ghiberti, die zelf lange tijd met een been in de verfijnde laatmiddeleeuwse, ‘internationale’ stijl is blijven staan. Een van de vroegst bekende werken van Donatello, waarmee ook de expositie opent, is een marmeren beeld van de bijbelse herdersjongen David, die met zijn eenvoudige slinger de reus Goliath versloeg (1408-1409). Het vrijstaande beeld is iets meer dan levensgroot en toont de jongeman, met aan zijn voeten het afgehakte hoofd van zijn tegenstander. David staat in een even elegante als onnatuurlijke houding, met zijn linkerhand in de zij geplant, en het fijne gezicht gericht op een punt in de verte.

Pas in de veel beroemder geworden bronzen versie die Donatello waarschijnlijk minstens 25 jaar later van hetzelfde thema maakte (ca. 1435-1440, Bargello), is de nu goeddeels naakte figuur weergegeven in een natuurlijke houding die de beeldhouwer, als een echte renaissancekunstenaar, ontleende aan de sculptuur van de klassieke oudheid.

Perspectief

Daarmee werd Donatello een exponent van het alomvattende enthousiasme voor de klassieken in het Florence van de vijftiende eeuw, en de daarmee samenhangende natuurgetrouwe uitbeelding van de werkelijkheid. Zelfs nog iets eerder dan Masaccio, die bekendstaat als de eerste die het wetenschappelijk beredeneerde éénpuntperspectief in een schilderij toepaste, gebruikte Donatello het in een reliëf van het Feestmaal van Herodes (1423-1427). Het vergulde bronzen paneel van zestig cm in het vierkant heeft voor het eerst in zijn bestaan de plaats verlaten waar het voor is gemaakt: het doopvont van het baptisterium van de kathedraal van de Toscaanse stad Siena. Omdat het sterk verdonkerde paneel speciaal voor deze gelegenheid is schoongemaakt, geeft het eindelijk weer zijn kwaliteiten in alle details prijs. Het ruimtelijke systeem is uitgekiend opgebouwd met als coulissen achter elkaar gezette bogenstellingen. Het bijbelverhaal van de dood van Johannes de Doper ontrolt zich van de kerker in de achtergrond, waar de heilige zojuist is onthoofd, via een processie op het middenplan, naar de voorgrond waar het koningsmaal plaatsvindt. In een dramatische scène waarin geëmotioneerde disgenoten naar de zijkanten zijn gedrukt, wordt het dopershoofd op een schaal gepresenteerd aan koning Herodes.

Tekenend voor Donatello’s vernieuwingsdrift is dat hij naast het revolutionaire éénpuntsperspectief, dat in zijn marmerreliëfs iets geforceerds kan geven aan de ruimtesuggestie, ook een andere techniek gebruikte. In het Italiaans, waarin de ‘ch’ als ‘k’ wordt uitgesproken, wordt die met de tongbreker schiacciato (letterlijk ‘platgedrukt’) aangeduid. Het komt erop neer dat sommige delen van de voorstelling worden uitgevoerd in een heel ondiep reliëf, soms bijna niet meer dan lichte krassen. Vaak betreft dit de landschapselementen in de achtergrond, zodat de paradoxale situatie ontstaat dat de grootste diepte is uitgevoerd in het laagste reliëf. Een mooi voorbeeld hiervan is de voorstelling van het legendarische gevecht van Sint-Joris met de draak, dat is aangebracht onder een van Donatello’s beroemdste beelden, de marmeren Heilige Joris voor de Orsanmichele (1415-1417, het origineel staat nu in het Bargello).

Donatello en Michelozzo, Dans van de Spiritelli (1434–1438) Foto Museo dell’Opera del Duomo, Prato

Spiritelli

Het gelijktijdige gebruik van deze verschillende manieren om ruimtelijkheid weer te geven, is kenmerkend voor het veelzijdige werk van Donatello. Steeds zoekt hij naar nieuwe uitdagingen en oplossingen. De klassieke vormentaal van de Renaissance die voor zijn tijdgenoten zo belangrijk was, speelt daarbij lang niet altijd de hoofdrol. Een intrigerend aspect van veel van Donatello’s reliëfs vormen bijvoorbeeld de zogenaamde spiritelli: gevleugelde wezentjes in losse gewaden die wel doen denken aan klassieke putti, maar dan zonder de braafheid van deze, normaal gesproken welwillend glimlachende, naakte kinderen. Donatello nam ze op in onder meer de reliëfs die hij samen met zijn vakbroeder Michelozzo di Bartolomeo uitvoerde voor een tribune aan het exterieur van de Dom van Prato, waar het reliek van de gordel van de Maagd Maria wordt getoond (1434-1438). Hij maakte er expressieve figuurtjes van, net iets te wild dansend en net iets te uitbundig lachend om aan het klassieke ideaal te voldoen. Er lijkt maar weinig te hoeven gebeuren of deze aaibare makkertjes transformeren in kwalijke kwelgeesten. Een vooruitwijzing naar het type zit al in een vroege terracotta Madonna (circa 1415), waarin het Christuskind zijn moeder weliswaar liefdevol omhelst maar tegelijkertijd met een grijnslachje om de lippen, zijn ogen wegdraait als om te zien of er elders niet iets leukers te doen is.

Donatello werd ongeveer tachtig jaar oud en heeft ook tot op hoge leeftijd doorgewerkt. Zo maakte hij nog op zeventigjarige leeftijd een bijna twee meter hoog bronzen paardenhoofd (1456), met minutieus weergegeven manen en vlak onder de huid liggende aderen. Het hoofd was bedoeld als nog maar het begin voor een nog veel groter, maar nooit voltooid ruiterportret van koning Alfonso van Napels. Hoe ouder hij werd, hoe minder Donatello zich gelegen lijkt te hebben laten liggen aan het voorbeeld van de klassieken of de ongeschreven regels van de renaissancekunst. In brons en hout maakte hij beelden met een uitdrukkingskracht die soms bijna doen denken aan werk uit de Noord-Europese Middeleeuwen. Een van zijn laatste bronzen sculpturen is een voorstelling van Johannes de Doper als boetvaardige asceet (1455-1457). De heilige staat weliswaar in een klassieke contrapposto houding, maar de blik in zijn bebaarde gelaat is angstwekkend hol en de grillige vormen in de oppervlakte van zijn kamelenharen boetekleed sorteren een expressief effect.

Donatello, Maagd en kind (Pazzi Madonna), ca 1422
Foto Antje Voigt/ Staatliche Museen Berlin
Donatello, Maagd en kind (Madonna van de wolken), ca 1425-1430
Foto Museum of Fine Arts, Boston

Ongrijpbaar

Het fraaie overzicht in deze expositie verandert weinig aan het beeld van Donatello als een ongrijpbare kunstenaar die zijn werken zelden signeerde en nog minder vaak van een datum voorzag. Problemen van toeschrijving en datering worden nog verder bemoeilijkt door een weinig rechtlijnige stijlontwikkeling. Donatello’s, overigens wel goed gedocumenteerde, voorstelling van de franciscaner koningszoon Lodewijk, bijvoorbeeld, blijft raadselachtig. Het bronzen beeld met kostbare vergulding toont de heilige gekleed in zijn monnikspij waarover een koorkap is gedrapeerd en met de bisschopsmijter boven het nog jonge gezicht. Met zijn rechterhand maakt hij een zegenend gebaar en in zijn linker houdt hij de bisschopsstaf. In het rijk geplooide gewaad is weinig te herkennen van de vormen van het lichaam dat zich eronder zou moeten bevinden. De handen lijken er als losse handschoenen op te zijn geplakt.

De veronderstelde onhandigheid van zowel Donatello, die naar diens eigen zeggen dus die van de heilige Lodewijk reflecteerde, contrasteert met een andere anekdote van Giorgio Vasari: toen Donatello eens werd gevraagd een kopie te maken naar een „oud, onbeholpen beeld”, deed hij zijn best het heel precies na te bootsen. Maar uiteindelijk bleek dat hij niet anders kon dan een werk leveren van de „gebruikelijke kwaliteit en het gebruikelijke vakmanschap”.

Donatello, Maagd en kind, ca. 1414
Foto Victoria en Albert Museum, Londen
Donatello, Hoop, 1427-1429
Bruno Bruchi/ Opera della Metropolitana, Siena