Opinie

Vrijheid die nodig is voor de verbeelding

Karin Amatmoekrim

‘En ik, die keffend in mijn canto’s woon”, schreef Menno Wigman, „had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.” Het zijn regels die mij achtervolgen sinds het moment dat ik ze voor het eerst las. Het lijkt alsof hoe ouder ik word, hoe vaker ze opklinken, steeds wanneer ik het nut van het schrijven betwijfel – en dat is vaak.

Want hoe, in hemelsnaam, is poëzie of een roman of welk kunstwerk dan ook, opgewassen tegen de werkelijkheid? We leven op een planeet die ten ondergaat aan oorlog en uitputting. In het Westen hebben we de vrijheid om te maken wat we willen, er is geen censuur en er is vooralsnog geen oorlog. Maar wat te doen met zoveel vrijheid, als de grond waarop we leven onder onze voeten afbrokkelt? Komen we dan echt niet verder dan het brave, aan banden gelegde bestaan binnen de kaders waartoe we veroordeeld zijn?

Wigmans gedicht ontroert mij tot tranen toe, nog steeds, ook al las ik het ontelbare keren, omdat het gaat over ons vermogen (en misschien ook; ons verlangen) om elkaar te kopiëren. Het gaat over „Vinexwijken, pril en doods, waar mensen roemloos mensen willen lijken”. Dezelfde levens, in dezelfde huizen, met dezelfde banen. We lijden hetzelfde, we sterven allemaal. De regels van dit gedicht kussen een onbehaaglijk besef wakker, namelijk dat ons leven een gevangenis is, opgetrokken uit „inkt van niets die zegt dat we bestaan” (‘Tot besluit’ uit Dit is mijn dag, 2004).

Een van de interessantste perspectieven op die zogenaamde vrijheid van ons moderne bestaan kwam ik tegen in The Dawn of Everything (in het Nederlands vertaald als Het begin van alles) van David Graeber en David Wengrow. De schrijvers – een archeoloog en een antropoloog – bieden een alternatieve kijk op de geschiedenis van de mensheid. Wat ik meenam uit het boek, was hun idee over hoe we een samenleving hebben geconstrueerd van onvrijheid.

De eerste vrijheid die ons is ontnomen hangt sterk samen met opvattingen over gastvrijheid en het recht op onderdak. Dat is namelijk de vrijheid om te vertrekken en je elders te vestigen, in de wetenschap dat waar je ook komt, mensen je zullen opvangen en niet wegjagen.

De tweede vrijheid die we al lang geleden hebben ingeleverd, is de vrijheid om te weigeren te gehoorzamen aan hen die beschouwd worden als onze meerderen.

Die twee vrijheden, die volgens Graeber en Wengrow in eerdere – en andere – samenlevingen nooit geschonden zijn geweest, zijn noodzakelijk voor de derde, en misschien wel belangrijkste vrijheid. Dit is een creatieve vrijheid, eentje van het experiment; het is de vrijheid om ons nieuwe manieren van samenleven te verbeelden. Het boek vervat daarmee ongewild wat je voelt zinderen tussen de regels van Wigmans gedicht, namelijk wat het belang is van de verbeelding, en hoe dit samenvalt met de vrijheid die voor die verbeelding noodzakelijk is.

Ik heb nog steeds geen antwoord op die vraag over wat kunst uithaalt tegenover de werkelijkheid. Het is een plicht, dat denk ik wel, om die vrijheid in de gaten te houden – wat zij ook moge inhouden. En het is een plicht om mogelijke andere werkelijkheden te verbeelden, als schrijver. Of, als we dat niet kunnen of willen, ons de spijlen van onze kooi te tonen.

Karin Amatmoekrim is schrijver en letterkundige. Ze schrijft om de week op deze plek.