Foto Roger Cremers

Interview

‘De landbouwrevolutie is een mythe’

Geschiedenis Is de mens jammerlijk in de val van de landbouw getrapt en raakte hij zo zijn vrijheid kwijt? Welnee, zegt archeoloog David Wengrow.

Mensen houden zich niet aan de grote schema’s die geleerden bedenken. Nu niet, maar vroeger al helemaal niet, mensen maken al honderdduizenden jaren hun eigen geschiedenis, zonder opgelegde schema’s. Dat is de boodschap van Het begin van alles, een nieuwe geschiedenis van de mensheid. Archeoloog David Wengrow (University College London) en de onlangs overleden antropoloog David Graeber (London School of Economics) binden daarin de strijd aan met een sterk levend idee: dat de wereldgeschiedenis zich aan vaste opeenvolging van economische en sociale fases houdt.

Met kracht van voorbeelden en argumenten laten Graeber en Wengrow zien dat die logische opeenvolging van sociale stadia niet bestaat. Er is geen vast ontwikkelingspatroon van kleine groepen jagers-verzamelaars via stamverbanden naar grote staatsverbanden.

En oh ja, volgens hen heeft de introductie van de landbouw ook niet het harde werken en de sociale ongelijkheid in de mensenwereld gebracht, zoals vaak gesteld wordt. En ook in het vaak als paradijselijk en stabiel voorgestelde leven van jagers-verzamelaars was er sociale verandering en politieke strijd. Altijd is er strijd tussen vrijheden en dominantie door een kleine groep, en de uitkomst pakt voortdurend anders uit. Er ís geen oertoestand van de mensheid, maar ook geen eindtoestand.

De in 2020 op 59-jarige leeftijd overleden David Graeber is bekend van zijn boek Schuld: de eerste 5000 jaar over de antropologie van schuld. Hij is ook beroemd als een van de oprichters van de Occupy Wall Street-beweging in 2011. Vlak voor zijn dood kon hij dit boek nog voltooien, samen met zijn goede vriend David Wengrow.

Lees ook: David Graeber was geestelijk vader van een protestgeneratie

Wengrow was onlangs in Nederland ter gelegenheid van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van hun boek. Aan het begin van het interview vertelt hij dat de dag ervoor nog een hele middag met Chinese antropologen en archeologen over zijn nieuwe boek sprak.

En wat wilden de Chinezen van u weten?

„Nou, het meest verrassend was een Chinese antropoloog die – enigszins spottend – zei dat ze door ons boek pas begreep wat toch die westerse traditie was. Namelijk dat het mogelijk was voor Europeanen om de hele wereld te veroveren zonder veel op te pikken van de sociale en intellectuele tradities van elders. Dat Chinezen ons idee van een westerse traditie niet zo goed begrijpen, komt omdat die traditie traditioneel altijd gelijkgesteld wordt aan vrijheid en democratie. De meesten van ons zijn daarmee opgegroeid. Maar zoals David Graeber altijd zei, is het dan toch wel bijzonder ironisch dat juist de geschiedenis van het Westen gedomineerd wordt door hiërarchische samenlevingen met koningen.

„In ons boek proberen we die westerse traditie uit te pluizen en stellen we bijvoorbeeld vast dat het idee van een moderne natiestaat waarschijnlijk juist wel aan China is ontleend. De invloedrijke filosoof Leibniz [1646-1716] pleitte er bijvoorbeeld voor om Chinese bestuursmodellen over te nemen, met openbare examens voor iedereen en een nationaal curriculum in het onderwijs.”

En vooral benadrukken jullie dat de indianen in Noord-Amerika veel democratischer gezind waren dan de koloniserende westerlingen, toch?

„Ja, democratie en vrijheid waren helemáál niet zo populair in de achttiende eeuw. Zelfs de beroemde founding fathers van de Verenigde Staten waren in meerderheid tégen democratie, omdat ze vreesden dat kiesrecht voor de meerderheid zou leiden tot herverdeling van land en welvaart. Het idee dat vrijheid een exclusief eigendom zou zijn van de westerse traditie is daarom nogal vreemd. In geschriften van jezuïeten, missionarissen, soldaten en handelaren in Noord-Amerika uit die tijd tonen ze zich verbluft door de vrijheden van de lokale bevolking. En je ziet er ook wat de lokale bevolking vond. Wat hen fascineerde in de Europeanen was juist het gebrék aan persoonlijke vrijheid en de klakkeloze acceptatie van het idee dat mensen niet gelijk zijn, dat er rangen en standen zijn, en dat je maar gewoon moet doen wat je gezegd wordt. Dat vonden zíj weer schandalig.

„Je ziet in die indiaanse wereld een idee van vrijheid dat veel radicaler is dan de westerse traditie. In de Europese filosofie en politieke geschiedenis is vrijheid meestal negatíeve vrijheid: de vrijheid om geen inmenging van regeringen te hebben, om te doen wat je wil met je bezit. Nog steeds: neem de vrijheid om géén covidmasker te dragen. Dat is heel anders dan de sociale vrijheden uit die koloniale bronnen. Er waren wel chiefs, maar niemand was verplicht om hun commando’s op te volgen. En het gevolg daarvan was niet dat die chiefs geweld gingen gebruiken, maar juist een cultuur van discussie en overtuigingskracht. De vrijheid om niet te gehoorzamen betekende daar niet dat je je vinger naar iemand op kon steken. Die vrijheid was juist gebaseerd op het feit dat je opvatting er toe deed en dat er naar je geluisterd werd.”

Om dat landbouwverhaal nu nog vol te houden, moet je echt een heel elastisch gevoel hebben voor oorzaak en gevolg

In het westen bestaat nu juist meer het idee dat we de persoonlijke vrijheid moeten terugwinnen die we zouden zijn verloren door landbouwrevolutie.

„Ja, dat is dat bekende verhaal waar we allemaal mee zijn opgegroeid. Dat er voor de komst van de landbouw geen privébezit zou zijn, en dat pas de landbouw de mensen een directe band gaf met het land. En daarom moesten mannen het land en het bezit gaan verdedigen. Als dan de bevolking groeit, zitten we helemaal klem. Dan moeten de meeste mensen keihard op het land gaan werken. Slechts een paar geprivilegieerde mensen hebben dan nog de vrije tijd om na te denken, te experimenteren en te filosoferen én om fulltime krijgers te worden. Dát is nu het standaardverhaal.

„Maar toevallig is dat verhaal fout in ongeveer ieder onderdeel en detail. Dat blijkt alleen al uit de kennis die in de afgelopen decennia is verzameld in mijn vakgebied, de archeologie. Bijvoorbeeld: in het Midden-Oosten duurt die landbouwdomesticatie ongeveer 3.000 jaar, dan pas zijn de biologische en genetische veranderingen van die planten en dieren voltooid. Dat is best lang voor een revolutie, vind je niet? Er was helemaal geen landbouwval waar die jagers-verzamelaars jammerlijk in getuind zijn. Integendeel! Je ziet bevolkingen van jagers-verzamelaars ermee experimenteren en ook weer teruggaan voor ze vollédig boer worden. Millennia lang wordt landbouw gemengd met verzamelen, vissen en jagen, heel flexibel. En al die tijd is er géén aanwijzing dat de samenleving meer rigide zou worden, met hiërarchieën of permanente leiders. En zelfs als er al volledige landbouw is duurt het nog steeds een paar duizend jaar voordat er permanente leiders verschijnen.

„Om dat landbouwverhaal nu nog vol te houden, moet je echt een heel elastisch gevoel hebben voor oorzaak en gevolg. Een van de reacties op ons boek was bijvoorbeeld dat dat standaardverhaal toch wel kon kloppen, er was gewoon een heel lange vertraging! Hahaha, mensen wachten dus zesduizend jaar voordat ze zich eindelijk gaan gedragen zoals al die tijd eigenlijk al zou moeten. Ons boek is één lange geschiedenis van mensen die níét doen wat ze zouden moeten doen volgens de standaardopvattingen van onze beschaving.”

Antropologisch gezien zijn het over het algemeen de vrouwen die het meeste van planten afweten: voor voedsel, gif, kleding en medicijnen

Maar die landbouwrevolutie is toch ook gewoon een helder verhaal, waarmee je iets ingewikkelds aan een groot publiek kan vertellen?

„Zeker! Maar noem het dan gewoon een mythe en geen wetenschap. Natuurlijk is een beetje mythevorming onvermijdelijk als je zo’n grote geschiedenis wilt vertellen. Maar altijd moet je erbij zeggen hoeveel gaten erin zitten.

„We weten dat landbouw onafhankelijk is ontstaan op minstens tien plekken, van Oost-Azië tot Midden-Amerika, en de gevolgen zijn nergens hetzelfde. Dat idee dat er na de agrarische revolutie geen weg terug meer was, heeft meer te maken met het verhaal van de zondeval en de verdrijving uit het paradijs.”

U spreekt van een speelse landbouw, die veel flexibeler is. Maar dat klinkt toch ook niet erg serieus?

„Nee, maar dat is maar een woord. Het gaat erom dat de mensen wel degelijk grip hadden op dat proces en ook konden besluiten wat ze ermee zouden doen. Yuval Harari vertelt dat verhaal soms alsof het graan zelf de veranderingen veroorzaakt, dat het graan de mens heeft gedomesticeerd. Hoe moet je je dat in de praktijk voorstellen? Tarwe staat niet echt bekend om zijn strategische planningsvermogen, hahaha.

„Antropologisch gezien zijn het over het algemeen de vrouwen die het meeste van planten afweten: voor voedsel, gif, kleding en medicijnen. Als je dan gaat doen alsof we met zijn allen in een kuil zijn gevallen die het graan voor ons gegraven heeft, bagatelliseer je een van de grootste ontdekkingen in de menselijke geschiedenis, waarschijnlijk door vrouwen gedaan: de aanpassing van nieuwe eigenschappen in wilde plantensoorten.”

Maar hoe ging het dan? Waarom zitten we nu met die technologische landbouwsamenleving vol bureaucratie en leiders?

„Tja, er is nóóit een periode in de menselijke geschiedenis geweest waarin niet een of andere vorm van dominantie bestond. Ik zie daarom helemaal niks in het idee dat het ooit misging en dat we nu met de gebakken peren zitten. Wij beschrijven in ons boek drie soorten vrijheid die er altijd zijn geweest: de vrijheid om weg te gaan, de vrijheid om niet te gehoorzamen en de vrijheid om de sociale structuur in te richten. En er zijn ook altijd drie soorten dominantie geweest: fysieke controle – geweld dus –, beheersing van informatie, en als derde simpelweg het bestaan van individuele verschillen, die je charisma zou kunnen noemen. Tussen die vrijheden en die dominanties is altijd strijd geweest. Wij kunnen ons bijvoorbeeld niet voorstellen dat er ooit een tijd is geweest zónder een of andere vorm van slavernij. Maar er zijn ook periodes geweest waarin veel mensen dat collectief omzeild hebben of beperkt hebben.”

Doorgaans wordt deze periode ‘de derde tussenperiode’ genoemd, zodat je eigenlijk al weet: dit is niet belangrijk. Niks te zien, doorlopen!

Kortom: het kwaad van ongelijkheid en onderdrukking heeft altijd bestaan?

„Precies. Maar er zijn ook áltijd mogelijkheden geweest om van die dominantie af te komen. Vooral omdat mensen altijd gewoon weg kunnen gaan. Dat is de simpelste en meest voorkomende vrijheid uit de menselijke geschiedenis. De moderne situatie dat mensen nergens heen kunnen is vrij uniek.”

Is er dan met de opkomst van de grote landbouwstaten niets essentieels veranderd? Sinds Sargon van Akkad zich uitriep tot heerser van de bekende wereld?

„Haha, ja, dat is precies wat Sargon zelf graag zou willen! Maar de werkelijkheid is toch anders. Wij vinden nu de monumentale beeldhouwwerken en de grote inscripties en proclamaties het belangrijkst. Daardoor krijgt iedereen de indruk dat onze planeet al duizenden jaren verdeeld is in koninkrijken en keizerrijken. We hoeven die pretenties van die koningen toch niet te geloven? Neem die Sargon, die zo 4.200 jaar geleden baas was van wat vaak ’s werelds oudste keizerrijk wordt genoemd: het Akkadische rijk. In inscripties beweerden die machthebbers wel dat ze grote gebieden onder controle hadden, en zo wordt het nog altijd netjes ingekleurd op kaarten in boeken en musea, alsof het moderne staten zijn met heldere grenzen. Maar in veel bronnen zien we dat dat keizerrijk helemaal niet zo veel voorstelde. Zelfs latere, veel succesvollere rijken, zoals het Nieuw-Assyrische rijk, hadden nog steeds weinig te maken met het dagelijks bestuur over de meeste volkeren in dat rijk. Dat werd gedaan door lokale raden en andere kleinschalige organisaties.

David Wengrow: „Democratie en vrijheid waren helemaal niet zo populair in de achttiende eeuw.”

Foto Roger Cremers

„Ook in het oude Egypte zijn er allerlei periodes van centralisering en decentralisering. Maar door de manier waarop egyptologen omgaan met die geschiedenis van drieduizend jaar worden die decentraliserende periodes weggezet als tussenperiodes. In werkelijkheid zijn die juist bijzonder interessant. Er is bijvoorbeeld een periode van 800 tot 500 voor Christus, toen het grootste deel van Egypte onder controle was van vrouwen, de godsvrouwen van Amon. Die beheersten de grootste landgoederen en bezetten ook veel politieke ambten. Historisch is dat nogal uniek. Maar daar kom je niet snel achter, want doorgaans wordt deze periode ‘de derde tussenperiode’ genoemd. Of zelfs ‘de late periode’, zodat je eigenlijk al weet: dit is niet belangrijk. Niks te zien, doorlopen!”

Die imperiale rijken inden toch wel belasting, met hun gewapende mannen?

„Ja natuurlijk, maar tegelijkertijd waren de grenzen van hun macht behoorlijk beperkt. Al decennia geleden werd duidelijk dat de stedelijke samenlevingen toen bestuurd werden door lokale raden en districtsvergaderingen. Die handelden de juridische en bestuurlijke kwesties af, of er nou een groter koninkrijk was of niet.

„Net als de empires in recenter tijden. Ook in het koloniale Britse Rijk waren er allerlei onofficiële en half-officiële organisaties ter plaatse actief, die later vaak weer de basis gaan vormen van de postkoloniale staten. Die organisaties bestonden dus vaak al lang voor de onafhankelijkheid! De macht van die organisaties veroorzaakt vaak ook het einde van de grotere rijken.”

Het idee bestond dat een samenleving alleen een toekomst had als zij ook een diep verleden had

Zo’n oude bureaucratie heeft helemaal dus niet per se een krachtige leider nodig? Egypte had bijvoorbeeld geen farao nodig om de irrigatie te regelen?

„Nee, precies. Die theorie van het oriëntaalse despotisme is volkomen weerlegd. Die irrigatiesystemen zijn duizenden jaren lang op lokáál niveau georganiseerd en onderhouden, met heel weinig bemoeienis van bovenaf. Dat zie je overal. Heel vaak speelt bijvoorbeeld de gevoelige kwestie dat irrigatie bovenstrooms ten koste kan gaan van mensen die dat water juist benedenstrooms willen gebruiken. Een echte machtskwestie! Maar wat zie je bijvoorbeeld in Sri Lanka, voor de koloniale tijd? Een lokaal systeem waarbij er veel huwelijken werden gesloten tussen families bovenstrooms en benedenstrooms, zodat die verschillende groepen rekening met elkaar bleven houden. Pas toen de Britten de grond gingen privatiseren stortte dat systeem in.”

Zo zijn er dus veel handige gewoonten weggevaagd?

„Maar óók daarin zie je heel veel variatie. In het Britse koloniale rijk lag de nadruk in Egypte op modernisering van de economie. Maar in Soedan, regeerden ze juist indirect, via allerlei stammenstructuren. Daar ging het juist om anti-modernisering: laat die oude structuren met rust! Dus géén onderwijs, géén ziekenhuizen. En er is gek genoeg een heel interessant verband met archeologie. Want waar de Britten probeerden te moderniseren, waren óók de gebieden waar ze fanatiek aan archeologie gingen doen. Het idee bestond dat een samenleving alleen een toekomst had als zij ook een diep verleden had. Egypte had zo’n verleden. Alsof de mensen ten zuiden van Khartoem geen geschiedenis hadden. Dat werd dus het domein van de antropologie, zo is de Britse sociale antropologie ontstaan waarin geschiedenis genegeerd wordt. Je kan dus wel zeggen dat wij nogal beperkt zijn geweest in onze voorstellingen van het verleden. Alleen als er veel centrale macht zichtbaar is, werd iets belangrijk gevonden, en anders niet.”