Reportage

Zouden ze aan de overkant van het water écht anders zijn?

Hier en daar Grenzen zijn overal, en al lopend wandel je ze soms ongemerkt over. Vijf routes tussen ‘wij’ en ‘zij’.

Maasuiterwaarden

Maasuiterwaarden

Zouden ze nu dáár, aan de overkant van het water, écht anders zijn? Vanaf de zuidoever van de Maas lijkt het alsof de uiterwaarden aan de andere kant niet veel verschillen. Dit is het Nederland van de gedichten. Van brede rivieren die traag door oneindig laagland gaan. Tot zo ver het oog reikt populieren en kerktorens.

Op de noordoever bij Niftrik – dat ‘doorwaadbare oversteek’ betekent – bloeide het koolzaad. En hier aan de andere kant bij Ravenstein zijn de uiterwaarden even geel, maar dan van het Jacobskruiskruid en boerenwormkruid. Het ruikt in de zomerzon naar kruidenthee.

De vriendelijkheid van het landschap doet niet vermoeden dat hier de misschien wel meest controversiële grens loopt die Nederland rijk is. Eén die vooral op sociale media tot eindeloze, onbesliste discussies kan leiden. Die grens gaat volgens het Meertens Instituut dwars door de Maas: erboven zegt men patat, beneden de rivier friet.

Rivieren zijn natuurlijke barrières. De Maas is tussen Thorn en Eijsden in Limburg nog altijd de grens met België. Grenspaaltjes markeren daar het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’. Hier, tussen Brabant en Gelderland, is dat onderscheid minder uitgesproken – die patatfrietgrens uit zich zo op het eerste oog niet.

Verschillen waren er altijd tussen beide: in de Tachtigjarige Oorlog koos de heer van Batenburg de kant van de protestantse Willem van Oranje, in het Land van Ravenstein mochten katholieken in het openbaar hun geloof belijden – ook na de oorlog. Het was officieel ‘buitenland’, in handen van Duitse vorstendommen, en werd pas in 1814 onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Nu vaart er ’s zomers een veer tussen beide oevers. Door de uiterwaarden en over de smalle dijk, met daarachter kleine dorpen, loop je van het vestingstadje Ravenstein naar Demen, waar het voetveer je overbrengt naar de middeleeuwse ruïne van Batenburg.

Landgoed Clingendael

Clingendael

Tussen de manshoge rhododendrons voelt het alsof je door een doolhof loopt. Alleen van boven of op een topografische kaart zie je dat Landgoed Clingendael deels is ontworpen als sterrenbos. De beroemde tuinarchitecten J.D. Zocher senior en junior maakten hier een Engelse landschapstuin, met een waterpartij en eilandjes die door bruggetjes met elkaar zijn verbonden. Zwanen en eenden snateren.

Maar hier: is dat Den Haag of Wassenaar? Wie erop gaat letten, ziet de gemeentegrens lopen. ‘Honden aan de lijn, artikel 2.4.17 APV Wassenaar’ staat er op de groene bordjes. Grondgebied van Wassenaar dus. Maar óók Den Haag, dat sinds 1954 eigenaar is van het landgoed en het naastgelegen Oosterbeek, en beide openstelde voor publiek.

In 1883 wees de burgemeester van Wassenaar al op de „grilligen loop” van de grens. Een correctie in 1907 zorgde ervoor dat het nabijgelegen Haagse Bos en paleis Huis ten Bosch in Den Haag kwamen te liggen. Clingendael bleef Wassenaars, de toegangswegen bleven Haags. En nog altijd zorgt dat voor gedoe: de Wassenaarse bouwplannen aan de rand, op het ANWB-terrein, kunnen de Haagse omwonenden maar weinig bekoren.

Hagenaars zouden Clingendael het liefst annexeren. Niet alleen vanwege die bouwplannen, maar ook omdat het een groene oase is om in te flaneren. Eén die in elk seizoen mooi is: de heuvels met beukenbomen in de herfst, het zachte groen rondom de vijvers in de lente, het rosarium in de zomer. En acht weken per jaar gaat de ruim honderd jaar oude kwetsbare Japanse tuin open. Nu bloeien daar de azalea’s en sierkersen, maar een broedende sperwer verhindert openstelling.

Niet alles is even lieflijk. Onder de heuvels liggen bunkers van de Atlantikwall, de 5.000 kilometer lange verdedigingslinie die nazi-Duitsland aanlegde om een geallieerde invasie te voorkomen. Op Clingendael had Seyss-Inquart, die als rijkscommissaris van Nederland verantwoordelijk was voor de deportatie van meer dan honderdduizend Joden, zijn hoofdkwartier. De boerderij op Clingendael is een gecamoufleerde bunker.

De Meinweg

De Meinweg

Zouden de bevers weten dat ze knagen aan de grens? Langs de Roode Beek – of de Rothenbach – zijn hun sporen duidelijk zichtbaar. Bomen die bij de stam een zandloper zijn geworden, vers zaagsel op het pad, dammen in de beek.

De grens tussen Nederland en Duitsland is hier soms maar een meter breed: een meanderende, kabbelende stroom waarop je vanaf het pad neerkijkt. Heel anders dan verderop de Roer (of Ruhr), die zo snel stroomt dat hij bij Herkenbosch in een bocht de oever opeet. Bordjes waarschuwen niet te dicht bij de kant te komen.

Dit is grensgebied, aan drie kanten omgeven door Duitsland. De Gitstappermolen (1377) staat nog nét in Nederland, grenspaal 375 staat achter het waterrad. De Dalheimer Mühle (1231) staat weer nét in Duitsland, in het bos daarachter markeert een bordje van Staatsbosbeheer de grens. En het ene moment loop je in Duitsland over een ‘premium Wanderweg’, het andere in Nederland door Nationaal Park De Meinweg.

Geologisch gezien is dit ook grensgebied: het unieke terrassenlandschap, met steile overgangen, ontstond in de loop van tienduizenden jaren door inschuringen van de Maas en verschuivingen in de aardkorst. Door De Meinweg lopen drie breuklijnen, waarvan de bekendste de Peelrandbreuk is, die dertig jaar geleden een aardbeving veroorzaakte. Loodrecht op de terrasranden ligt het dal van de Roode Beek.

De sporen van de grote brand die een aantal jaar geleden woedde, zijn wat noordelijker in het grenspark nog altijd te zien. Maar de natuur herstelt zich snel: een jonge ree rent door de hei bij het horen van voetstappen. Sommige stukjes zijn afgesloten: er komt hier nog een redelijk grote adderpopulatie voor en wilde zwijnen wroeten hun gebied kapot.

Dwars door de natuur ligt ook nog een spoorlijn. De IJzeren Rijn van het Belgische Antwerpen naar het Duitse Ruhrgebied, die sinds 1991 niet meer wordt gebruikt. Liefst zou België het spoor weer in gebruik willen nemen, Nederland verzet zich.

Brabantse Wal

Brabantse Wal

Nergens in Nederland is de overgang van hoog naar laag zo abrupt als bij de Brabantse Wal. Van 39,1 meter boven NAP naar anderhalve meter beneden NAP. Hier ligt de grens tussen zandgrond en polderklei, tussen land met heide en bos en land van de zee. Of, zoals de slogan van de regio luidt: dit is „waar Brabant Zeeland kust”.

Oud-journalist Sietse van der Hoek signaleerde nog een paar grenzen in zijn boek Langs de nullijn (2014). Het Normaal Amsterdams Peil scheidt het Nederland van de droge voeten van het Nederland dat zonder dijken of duinen onder water zou staan. „Grosso modo” is volgens hem de zeespiegellijn ook de scheidslijn tussen katholiek en protestant, en tussen meer Angelsakisch of meer Duits georiënteerd. Die nullijn loopt aan de voet van de Brabantse Wal.

In de kuiten voel je misschien het hoogteverschil. Ten zuiden van Bergen op Zoom kan je Nederlandse ‘bergwandelingen’ maken. Met boven op de berg, of liever gezegd de steilrand, bij helder weer een prachtig uitzicht over de Schelde. En uitzicht over de havens van Antwerpen en de kerncentrale van Doel. Voor de afdamming van de rivier in de jaren tachtig was het gebied aan de voet van de steilrand onderhevig aan eb en vloed. Nu is er het Markiezaatsmeer, een natuurgebied met talloze vogels.

Was het de zeelucht of de boslucht waardoor er in de dorpen vroeger tuberculose- en astmapatiënten herstelden, zoals ook in de Alpen sanatoriums waren? De route klimt door het bos naar 17 meter, daalt naar zeeniveau, klimt weer. Het pad is deels het tracé van een oude Belgisch-Nederlandse trambaan die dus ook omhoogliep. Terug gaat het over de Schapendreef, op het plateau grazen ze nog. Maar wat jammer dat deze bergwandeling niet eindigt in Putte, dat in twee landen (Nederland en België) en in drie gemeenten ligt (Woensdrecht, Stabroek en Kapellen) ligt, en op 39 meter hoog.

Hollandse Rading

Hollandse Rading

Tussen de bladeren staan de grijze stenen grenspalen. Als je niet goed oplet, loop je er zonder ze te zien langs. Aan de ene kant staat de leeuw van Holland, aan de andere het wapen van Utrecht.

Hollandse Rading betekent letterlijk Hollandse grens, en die grens tot Breukelen is recht, héél recht. Wie van meanderende paden houdt, moet de andere kant op lopen, de bossen bij Lage Vuursche in. Daar loopt de grens tussen beide provincies wel recht, maar de paden niet.

Het Marskramerpad dat hier de grens volgt, is een langeafstandswandeling. Waar het Pieterpad van noord naar zuid gaat, gaat deze route dwars door Nederland van oost naar west (of andersom). Van het zand bij Losser naar strand van Scheveningen. Je ziet de verschillen in Nederland aan je voorbijtrekken.

Van Hollandse Rading naar Breukelen ligt links van het pad het Utrechtse veen met de Westbroekse Zodden – waar een klompenpad doorheen gaat. Die zijn een apart bezoek waard. Vanaf het karrenspoor waarover je loopt, zie je oneindig groene weilanden. En met een beetje geluk talloze weidevogels. Maar het is een populair gebied, ook bij fietsers.

Daarna volgen de sporen van eeuwenlange turfwinning: de Tienhovense Plassen. Toen de waarde van turf was ontdekt, zorgden de veengronden voor talloze twisten. De eerste leeuwenpalen werden in 1356 geplaatst om de grens vast te leggen. Maar nog deze eeuw werd de grens tussen Utrecht en Noord-Holland opnieuw getrokken – Utrecht kreeg Vianen, Loosdrecht werd Hollands.

Rechts doemt het kerkje van Nieuw-Loosdrecht op, daarna de Loosdrechtse Plassen. Op een mooie dag staat er een file. In het geel gehulde verkeersregelaars doen hun best het chagrijn van automobilisten te negeren. Maar kies een ietwat druilerige of koele dag, en de watersporters zijn er niet.

Bovendien volgt er na de plassen een toetje. Voorbij Fort Tienhoven ga je een grasdijk op tot vlak voor Breukelen, met uitzicht op de achterkant van de grootse landhuizen die aan de Vecht staan. Je enige gezelschap zijn schapen en watervogels.