Opinie

Zonder vertaler zou het boekenaanbod schraler zijn

Vertaalde literatuur

Commentaar

Eerst het goede nieuws: in 2021 werden er in Nederland méér boeken verkocht dan in de afgelopen tien jaar. Maar wie de lijst bekijkt, valt iets op: in de top-100 staan maar twee vertaalde literaire romans. En beide (van Douglas Stuart en Jonathan Franzen) werden vertaald uit het Engels.

Waar waren de romans van Franstalige schrijvers? Uit Zweden, Italië, Spanje, Polen? Dichtbundels uit Oekraïne. Of om het net buiten Europa uit te werpen: wie zijn de literaire helden in Japan, Nigeria, Syrië, Guatemala? Als Netflix 25 Koreaanse series aankoopt omdat The Squid Games zo’n hit is, waar blijft dan het literaire equivalent?

Voor 2014 stonden in de top-100 meer dan tien literaire vertalingen. Maar de vertaalde roman, zeggen de verkoopcijfers en daarmee de uitgevers, wordt niet gelezen. Uitgeverijen zeggen een derde minder aan vertalingen te hebben uitgezet.

Dat heeft een aantal redenen: Engelstalige literatuur wordt zeker door een jongere generatie in de oorspronkelijke taal gelezen. Vertaald worden voornamelijk boeken die het al goed hebben gedaan op de Amerikaanse markt. En dan vooral van auteurs die al gevestigd zijn; vernieuwende debuten of onbekende stemmen ontbreken. Tel daarbij op dat de boekverkoop steeds meer online plaatsvindt, waar de nadruk sterker op bestsellers ligt en waardoor literaire titels in de verdrukking komen.

Lees ook: Er wordt steeds minder literatuur vertaald. Hoe erg is dat?

Uitgever Jessica Nash van Atlas Contact voorspelde onlangs in NRC verschraling: „Over tien jaar liggen er nog steeds stapels van de vertalingen van onder anderen Knausgård, Murakami, Édouard Louis, Colson Whitehead, Paolo Cognetti, en Hanya Yanagihara in de boekhandel.”

Zorgwekkender is de Nederlandse „obsessie met de Angelsaksische wereld”, zegt de Liberiaans-Nederlandse schrijver Vamba Sherif in de NRC-podcast Tussen de regels.

Hij heeft gelijk. Liefde en verdriet, leven en dood zijn universele thema’s. Oorlog, migratie, het gevoel ergens niet bij te horen, herkenbare onderwerpen. Abdulrazak Gurnah beschrijft in Afterlife de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog, maar vanuit het perspectief van het huidige Tanzania. Dat de westerse wereld verrast was toen hij vorig jaar de Nobelprijs voor de literatuur kreeg, zegt meer over het Westen dan over zijn literaire kwaliteit.

En als die onderwerpen niet herkenbaar zijn: het heerlijke van het lezen van een goede roman is immers dat het nieuwe werelden opent.

Dat kan alleen als er voldoende vertalers zijn die gekwalificeerd zijn en goed worden betaald. En ook daar schort het aan. Wie zich wel eens ergert aan de kromme ondertiteling bij een mooie film, kent het belang van het – zoals Tsjechov-vertaler Hans Boland het noemt - „toveren met woorden”.

Les années van Annie Ernaux, vertaald door Rokus Hofstede als De Jaren, die vorig jaar de Martinus Nijhoff-prijs voor zijn vertalingen ontving, zit vol met autobiografische verwijzingen. Soms laat hij citaten onvertaald, soms biedt hij context. Zonder Hofstede zou de slecht Franslezende Nederlander van dit werk verstoken blijven. En dat geldt evenzeer voor romans uit kleinere taalgebieden en andere werelddelen.

Lees ook de recensie van De Jaren

De oproep van een aantal vertalers om hen voortaan op de kaft te vermelden, is een kleine maar belangrijke erkenning voor hun werk. Nu nog uitgevers die het vaker aandurven vertaalde literatuur te publiceren. En vooral lezers die buiten hun bubbel durven weg te dromen bij een boek.