Reportage

Te voet langs de taalgrens in Vlaanderen

Frans en Vlaams wandelt in Frans-Vlaanderen, waar hij hoort en ziet dat de talen „in elkaar overvloeien als twee kleuren inkt”.

Illustratie Aart-Jan Venema

Huizen van rode baksteen met lichte voegen, een monument voor de gevallen helden uit de Grote Oorlog op het kruispunt. Sigaretten kun je kopen in het Café de la Maison Commune tegenover de kerk, tevens voor uw huwelijksfeest of gelegenheid tot condoleren. Er is geen bakker meer, wel een haarstudio.

Berthen is kortom een Frans dorp zoals er zoveel zijn. Maar aan de gevel van het café zit een geel bordje met ‘Hier spreekt men Vlaams’. Dat is waar, zegt Marie-Thérèse Huchette, die in haar duistere gelagkamer eenzaam La Voix du Nord zit door te bladeren. „Een beetje.”

Dit dorp ligt in het Franse deel van de Westhoek, een punt van het oude graafschap Vlaanderen in het achterland van Duinkerken. Net als de rest van wat nu Frans-Vlaanderen heet, werd het door Lodewijk XIV bij Frankrijk ingelijfd. Toch hebben nieuwe staatsgrenzen en de nieuwe officiële taal dit Vlaanderen nooit uitgewist.

Je ziet het aan plaatsnamen die Vlaams zijn gebleven – Steenvoorde, Godewaertsvelde, Hondschote, Wormhout – of alleen een Frans vernisje hebben gekregen: Hazebrouck, Steenbecque, Bergues of Bray-Dunes. Aan straatnamen die soms dubbel zijn uitgevoerd: Rue des Loupes-Wulvenstraat. Aan de familieberichten in de krant: Kieken, Engelaere, Vanhove, Denaeyer. Potjevleesch op de menukaart. En je ziet het bij sommige plattelandscafés als dat van mevrouw Huchette in Berthen.

Vlaams was de taal die haar ouders onderling spraken – „klappen”, zegt ze. Zo heeft ze het geleerd. Haar man die een paar dorpen verderop is geboren, spreekt geen woord Vlaams. „Maar ik hou ervan, al is het wel moeilijk. En het is ook goed om klanten uit België in hun eigen taal toe te kunnen spreken.” Hoe begrijpelijk, en zeker in Noord-Nederlandse oren, is wel de vraag. „Anosteké”, hoor ik, en dat zegt ze ook echt: „[tot] een naeste keer”, West-Vlaams voor „tot ziens” of „à la prochaine fois”.

Een wandeling langs de taalgrens, was het idee. Maar die grens is niet hard, eerder een zone waar het Frans en deze variant van het Nederlands in elkaar uitvloeien als twee kleuren inkt. De Westhoek is vlak, met uitzondering van een rijtje heuvels, de resten van zandbanken in een warme, ondiepe zee van twintig miljoen jaar geleden. Die heuvels steken nergens meer dan 170 meter boven het huidige zeeniveau uit maar heten toch Monts des Flandres.

Wie hier een tocht wil maken, te voet of met een fiets, heeft het makkelijk. Behalve de officiële Grande Randonnée – Route de Flandre (GR128), die grofweg west-oost loopt, door en langs die Vlaamse bergen – is er een rijk web van andere regionale en lokale wandel- en fietsroutes. Alles keurig bewegwijzerd en aangegeven op de 1:25.000-kaarten van het Franse IGN. Die komen ook van pas als je eens geen pijlen wilt volgen, maar een saai ogende lus in de route wil afsnijden via een vrolijk weiland.

Ik zet twee wandelingen uit die allebei terugkeren bij hun vertrekpunt. Een bij Cassel (Kasselberg) en een bij Mont-Noir (Zwarteberg), een kilometer of vijfentwintig naar het oosten, deels over de GR128, deels via andere routes.

De eerste begint aan de voet van de Mont des Récollets (Rekolettenberg, meldt het tweetalige bordje niet enorm hulpvaardig). Op de top moet een stenen toren staan, maar dat is privéterrein. Het pad, meer een holle weg eigenlijk, klimt door de bosrand langs de flank van de heuvel. Opeens, als het pad tussen de bomen uitkomt, opent zich een panorama dat ik – realiseer ik me met een schokje – eerder die dag al op een schilderij zag, in het piekfijne Musée de Flandre in Cassel.

Nostalgie

Boerderijen met een knik in het dak tussen groepjes bomen, weides, akkers, heggen, dezelfde drie, vier torenspitsen in het verschiet. Dit is krek hetzelfde Vlaamse coulissenlandschap dat Joost de Momper (1564-1635) schilderde, maar dan zonder oranje gloed en zonder Lot en zijn twee dochters die Sodom en Gomorra ontvluchten terwijl God het vuur laat regenen over het zondige land. En ik realiseer me dat niet alleen de talen maar ook het Franse en Vlaamse landschap naadloos in elkaar overlopen.

Even later gaat de weg tussen bietenakkers, kaal nog, gescheiden door rijtjes populieren en knotwilgen, in de verte dezelfde stenen en houten molens die aan beide kanten van de landsgrens ‘meulen’ heten.

Koolzaad langs een grindweggetje, zo geel dat het bijna pijn doet aan je ogen. ‘Koolzaad’ werd ‘colza’ in het Frans, maar het omgekeerde had ook best gekund: dat ‘colza’ er eerder was en ‘wij’ er toen maar ‘koolzaad’ in hoorden. Ik denk aan het grensverkeer van al die andere woorden: Nederlandse in het Frans (digue, polder), Franse in het Nederlands (entree, vernis, accent, e.v.a.). En de woorden die dezelfde grens tweemaal overstaken. Zoals het manneken, een paspop, die als mannequin terugkeerde. Of de boulevard, die eerst een bolwerk was, maar ontdaan van zijn verdedigingsfunctie een plek werd om te flaneren.

Het West-Vlaams zal waarschijnlijk uitsterven. Caféhoudster Huchette behoort met enkele tienduizenden anderen tot de laatste sprekers, die merendeels op leeftijd zijn en op het platteland wonen. Nieuwe aanwas komt er niet; jongeren en stadsbewoners spreken hier Frans.

„Vlaams spreken is een vorm van nostalgie”, zegt Roland Faghel, die twee ‘Vlamsche’ praatgroepjes heeft in Boeschepe, een buurdorp van Berthen. „Het zijn merendeels oudere mensen, ze doen mee voor de gezelligheid, om iets van vroeger te voelen.” Maar anders dan in België is de Vlaamse identiteit hier volgens hem toch minder met de taal verbonden: „Je kunt je Vlaams voelen zonder de taal te spreken.”

Waaruit die Vlaamse cultuur bestaat? „Ze is verbonden met een manier van leven van vroeger, met de tradities van het platteland, je buren helpen, het katholieke geloof, zeker op feestdagen ook met de tafel – vis aan zee en hier varkensvlees. En bier natuurlijk”, zegt Faghel. „Vlaanderen blijft een land van bier.”

Grote emoties

Vlaanderen is meer dan taal, vond ook de schrijfster Marguerite Yourcenar (1903-1987), die de eerste negen jaar van haar leven elke zomer doorbracht op het landgoedje dat haar familie op de Mont-Noir bezat. Haar moeder was gestorven in het kraambed, ze was eenzaam in een groot huis, alleen met haar dieren en „les gens” – de tuinman, de koetsier en het melkmeisje. Vlaanderen was het land „van de grandes émotions”, heeft ze meer dan eens gezegd. „Hoewel ik Française ben” en „de Franse taal het instrument van mijn schrijverschap is, kan ik mij mezelf niet voorstellen zonder Vlaanderen, waar ik voor het eerst werd geconfronteerd met de zuiverheid en de kracht van de grote dingen: het water, de lucht en de aarde. Vlaanderen is de verwondering.”

Verwondering, en de eindeloze cycli van historische verwoesting en wederopbouw, waarvan dat kasteeltje en zijn parkbos dat zo vaak in haar werk opduikt een symbool zijn.

Dus gaat mijn tweede wandeling daarheen. Van de Mont des Cats met zijn trappistenklooster (kaas, zwaar bier, „omdat zij juist dan echte monniken zijn, als zij van het werk van hun handen leven”) naar de Mont-Noir. Heuvel af en weer omhoog. Langs de weg wordt de laatste tarwe ingezaaid. De hop, ‘hommel’ in het Vlaams, moet nog beginnen aan zijn groeispurt van tien centimeter per dag, maar tussen de staken van de hopplantages hangt de lente al.

Yourcenars kasteeltje is weg, kapotgeschoten in de Eerste Wereldoorlog, toen de frontlijn die zich net aan de Belgische kant vier jaar lang verlegde rond Ieper, de enige grens was die telde. Ook de donkere dennen, die de berg zijn naam gaven, zijn toen gesneuveld. Er staat nu vooral loofbos. Maar haar blauwe hyacinten en witte anemonen zijn er nog steeds. „Het herinnerde verschuilt zich onder het vergetene”, schrijft ze ergens.

Le Mont-Noir is eigendom geworden van het departement Nord en een beschermd natuurgebied. De voormalige stallen met de drie wagendeuren zijn verbouwd tot een woonhuis, dat Villa Yourcenar heet en waar schrijvers uit alle windstreken in alle rust aan een boek kunnen werken. Op het hoogste punt van de berg kun je uitkijken over twee vlaktes, de Vlaamse en de Franse, stadjes en dorpen bijna opgelost in nevel. In het huis werken deze maand een vrouw uit Quebec en een man uit Nederland.