Reportage

Een jeugddroom in vervulling: wandelen in de Himalaya, ondanks de hoogteziekte

Hoog en laag Na ernstige hoogteziekte meed jarenlang hoge bergen. In de Himalaya ontdekte ze: de ervaring hangt niet van de meters af.

Foto Manthan Chittora

Ik ben vernoemd naar een berggeit. Mijn ouders zullen dat misschien ontkennen, maar het is een feit dat ze me al vroeg in mijn jeugd de koosnaam ‘Gems’ gaven. Op mijn negende hield ik om die reden zelfs een spreekbeurt over gemzen. Eén feitje ken ik nog van buiten: een volwassen gems kan met gemak zeven meter springen.

Ik was een bergkind, opgegroeid met zomervakanties in de Alpen en in Scandinavië, maar toch een stuk minder behendig dan mijn naamgenoten. Sierlijk van rots naar rots springen durfde ik niet, afdalen deed ik in slakkentempo. Desondanks bleven de bergen lonken: altijd wilde ik hoger en hoger. Mijn grenzen verleggen. Ik droomde ervan om ooit de Himalaya te zien.

Dit jaar werd ‘ooit’ plotseling ‘nu’. Eind maart vertrok ik naar Nepal, voor een reportage in het laagland – maar met de Himalaya zo dichtbij kon een trektocht niet uitblijven. De vraag was alleen: hoe hoog durfde ik te gaan? Het enige wat tussen mij en de Mount Everest in stond was een hoogteverschil van 8.849 meter, op vlak terrein een afstand om in twee uur af te leggen. Maar verticaal was het een onoverkomelijke barrière.

In zijn boek Mountains of the Mind (2017, vertaald als ‘Hoogtekoorts’) schrijft de Brit Robert Macfarlane over de aantrekkingskracht én het gevaar van bergtochten. „Er zijn veel manieren om te sterven in de bergen: dood door bevriezing, dood door valpartijen, dood door sneeuwlawines, dood door verhongering, dood door uitputting, dood door rotslawines en dood door de onzichtbare agressie van hoogteziekte.” Hoe afschrikwekkend al die gevaren ook klinken, het was het laatste dat me de meeste angst inboezemde. Juist omdat ik het van dichtbij kende.

Hoogteziekte, vaak omschreven als AMS (acute mountain sickness), klinkt vrij onschuldig – iets tussen wagenziekte en hoogtevrees in. Het verraderlijke is: de symptomen begínnen vaak ook vrij onschuldig, zo valt te lezen op website van de GGD en van bergsportvereniging NKBV. Misselijkheid, duizeligheid, milde hoofdpijn, kortademigheid. Klachten die kunnen optreden door zuurstofgebrek als je in rap tempo stijgt tot grote hoogte, minstens 2000 meter boven zeeniveau. Meestal verdwijnen ze vanzelf wanneer je niet verder stijgt. Stug doorklimmen daarentegen zorgt voor verergering van de symptomen. Sufheid, hoofdpijn en benauwdheid, ook midden in de nacht. Wie dan niet direct afdaalt, kan buiten bewustzijn raken en uiteindelijk overlijden.

Van dat alles had ik geen weet toen ik vijftien jaar geleden geologisch veldwerk deed op Tenerife. In het weekend besloot ik samen met vier medestudenten El Teide te beklimmen. Een slapende vulkaan, met 3.715 meter de hoogste berg van Spanje. Vanaf zeeniveau reden we met de auto tot 2.348 meter hoogte, om vervolgens in één ruk door te lopen naar een berghut op 3.260 meter. De volgende ochtend zouden we doorklimmen naar de top van de vulkaan. We waren jong, we waren fit, we hielden van de bergen. Wat kon er misgaan?

Al na de eerste kilometer merkte ik dat mijn conditie lang zo goed niet was als die van de anderen, maar achterblijven of zelfs afhaken was mijn eer te na. Ik negeerde de dorst, de moeheid, de behoefte aan pauzes, en stapte stevig door. Toen we rond zonsondergang de berghut bereikten was ik gesloopt, en verlangde ik naar een zacht matras. Maar de hut bleek wegens een verbouwing gesloten, en noodgedwongen nestelden we ons, zonder slaapgerief, tussen de rotsen.

Vulkanische zwavellucht

De volgende ochtend zagen we de zon opkomen na een doorwaakte nacht, en begonnen we aan de laatste klim naar de top. In één nacht leek ik veranderd in een oude vrouw. Om de paar meter moest ik stoppen om op adem te komen. Ik zwalkte over het pad alsof ik dronken was. Maar ik wilde dóór. De top bereiken.

Uitzicht bij ochtendlicht vanaf Poon Hill. Foto’s Manthan Chittora
Foto Manthan Chittora
Foto Manthan Chittora

Eenmaal daar was ik zo misselijk dat de vulkanische zwavellucht me deed braken. Op dat moment vermoedde een van mijn medestudenten dat ik hoogteziekte had, een term waar ik nog nooit van had gehoord. Ik wilde me niet laten kennen en protesteerde met zwakke stem dat ik heus wel vaker in de bergen had gewandeld. Maar hij dirigeerde me gedecideerd naar de kabelbaan die uitkwam op de top, en een kwartier later stond ik in het dal. Weg hoofdpijn, weg misselijkheid.

Na die ervaring ontwikkelde ik een heilig ontzag voor de hoogte. Ik leerde dat er twee verschillende soorten hoogteziekte bestaan, waarbij er door verhoogde druk op de haarvaten vocht in ofwel de hersenen of de longen kan lekken – beide met fatale afloop. In het boek van Macfarlane las ik over expedities waarbij het wél slecht was afgelopen, en over oogbollen die bezweken onder de hoge druk van het snelle stijgen. En van bergbeklimmers hoorde ik dat wie eenmaal door hoogteziekte is getroffen een grotere kans heeft om het vaker te krijgen. Nog éénmaal kruiste ik de 3.000-meter-hoogtelijn, in Siberië, maar veel hoger dan dat durfde ik niet meer.

Tot dit jaar. Toen ik eenmaal wist dat ik weer op reis zou gaan, kocht ik een Lonely Planet met de titel Trekking in the Nepal Himalaya. 384 pagina’s met tientallen bergtochten, de ene nog adembenemender dan de andere. Langtang. Mardi Himal. Annapurna Base Camp. Everest Base Camp. Allemaal nog veel hoger dan de 3.715 meter van de Teide.

Opeens voelde ik me een zwakkeling. Hoogteziekte kon iederéén treffen, ongeacht leeftijd of conditie, maar zo voelde het niet. Moest ik het niet gewoon nogmaals proberen, nu ik de valkuilen wist? Boven de 3.000 meter maximaal 500 meter per dag stijgen, aan het einde van de dag iets afdalen om niet op de maximumhoogte te slapen, voldoende drinken, voldoende tijd nemen voor acclimatisatie. Het klonk zo eenvoudig. Gemzen hoorden geen hoogteziekte te hebben. Werd het niet tijd om mijn bijnaam eer aan te doen?

Tabletjes

Tijdens een reisvaccinatieafspraak bij de GGD bracht ik het onderwerp voorzichtig ter sprake. De medewerkster hielp me uit mijn droom. „Nooit je prestatiedwang boven je gezondheid laten gaan. Of wil je in coma van de berg worden afgevoerd?” Uiteindelijk stemde ze hoofdschuddend in met de laagste tocht die ik kon vinden: de Poon Hill Trek, met een maximumhoogte van 3.200 meter. Voor de zekerheid schreef ze me tabletjes voor: acetazolamide, een preventief medicijn dat zou helpen bij de acclimatisatie. 24 uur voor het bereiken van de 3.000-meter-grens moest ik beginnen met slikken, tweemaal per etmaal een half tabletje, tot twee dagen na het bereiken van de maximale hoogte. Acetazolamide, zo zei ze er met klem bij, zou de symptomen van hoogteziekte niet maskeren – bij de minste of geringste klachten moest ik alsnog naar beneden. Maar met de pillen zou mijn lichaam beter acclimatiseren.

En zo vertrok ik naar de Himalaya, om mijn jeugddroom in vervulling te laten gaan. Ik zou mijn grenzen dit keer niet tot het uiterste verleggen; Mount Everest bleef buiten mijn blikveld. Tegen andere reizigers vertelde ik van tevoren ietwat verontschuldigend dat ik slechts tot 3.200 meter hoogte zou stijgen.

Maar eenmaal onderweg merkte ik dat de hoogte er niet toe deed. Ik liep in de Himalaya, tussen de rododendronstruiken, en voelde me alsnog op het dak van de wereld. De dag dat ik naar het hoogste punt zou klimmen, Poon Hill, stond ik om 04.00 uur op. Met een koplampje wandelde ik onder de sterren naar boven, langzaamaan, stap voor stap, geholpen door de acetazolamide. Net voor zonsopkomst kwam ik boven aan. Voor me ontvouwde zich een overweldigend panorama.

In de eerste zonnestralen maakte ik een vreugdesprongetje. Geen zeven meter, maar niettemin een berggeit in haar element. Ik had de top bereikt.