Hoe de passie voor Henny Vrienten mijn puberleven wist te ontwrichten

Jeugdliefde Redacteur was op haar dertiende één van die gillende Doe Maar-fans. Haar passie begin jaren tachtig wist haar leven zelfs danig te ontwrichten.

Beelden van plakboeken van redacteur Saskia van Loenen.
Beelden van plakboeken van redacteur Saskia van Loenen.

Ach, Henny Vrienten. Het bericht van zijn overlijden raakte me diep. Zoals zoveel mensen, want de zanger en componist is de afgelopen dagen alom gelauwerd als creatieve en muzikale grootheid. Maar er kwam in mijn geval nog wel iets bij. Een rauw randje, dat me even naar adem deed happen bij de onheilstijding. De pijn was scherper dan bij welke andere Beroemde Dode – dit was hartenpijn.

Een pijn die deze week waarschijnlijk door tienduizenden vrouwen van begin vijftig (ik ben zelf 52) gevoeld moet zijn. Vrouwen die, zoals ik, in 1983 dertien of veertien waren en Doe Maar-fan, gecombineerd met verliefdheid op Henny. In de necrologieën dezer dagen viel soms de term ‘bakvissen’ – zo verwoordt een man op leeftijd dat. Maar of hij ook maar een idee heeft wat Doe Maar werkelijk betekende voor al die meisjes: ik waag het te betwijfelen.

Lang heb ik me geschaamd voor mijn Doe Maar-tijd. Maar hoe ouder ik werd, hoe meer begrip ik kreeg voor dat gillende, huilende meisje dat zich tot bijna flauwvallens toe naar voren perste in concertzalen, om maar zo dicht mogelijk bij hem te komen. Dat was geen aanstellerij: ik híéld van die man. Hij was mijn eerste echte liefde. Wie zo verliefd is op iemand die onbereikbaar is, lijdt wat af. Het was dan ook zeker niet alleen maar leuk.

Toen ik 25 jaar geleden, als beginnend journalist, bij het blad Humanist werkte en er een themanummer over passie kwam, besloot ik een boekje open te doen over die krankzinnige tijd. Het was één van de eerste artikelen die ik schreef (en het meest openhartige tot nu toe). Het stuk verscheen nooit online, zelf heb ik het themanummer bewaard – en voor de gelegenheid nu overgetypt. Met excuses voor de soms wat bombastische stijl, ik moest het schrijven nog leren, hieronder een aantal fragmenten uit dat artikel, dat als kop had: ‘Henny maakte me vrouw’.

Ik durf het nu eindelijk toe te geven: ook ík was zo’n gillende, huilende Doe Maar-fan. Misschien wel de meest fanatieke van allemaal.

Wat ik in Doe Maar zag? Allereerst was daar natuurlijk de muziek. Die was vrolijk of juist ontroerend en in ieder geval fris en vernieuwend. De zware baslijntjes prikkelden mij vanaf het begin. Dit was de ultieme perfectie. Dan de teksten. Direct, openhartig, en dus erg aansprekend. Die van Henny waren wat ruiger (ze zei: waar was je gisteravond; je liet me wachten in ons bed; en ik weet waar jij vandaan komt, je was weer bij die slet); bij Ernst kon je romantisch wegdromen (wat heb ik toch gedaan, ik ben haar kwijt; nou heb ik spijt voor altijd).

Maar een belangrijke reden lag toch ook in die verrukkelijk aantrekkelijke zangers Henny Vrienten en Ernst Jansz. Voor bijna alle Doe Maar-fans gold dat ze werkelijk verliefd waren op een van beiden, en dat maakte deze groep anders dan andere. In mijn geval was het Henny die maakte dat ik soms niet meer kon eten van verliefdheid.

Roze-groene hebbedingetjes

Ik verzamelde alles. Ik moest en zou alles hebben wat er van Doe Maar te krijgen was. En dat was veel. Met een tientje zakgeld per week een onhaalbare zaak, dus af en toe zag ik mij genoodzaakt een roze-groen hebbedingetje in mijn zak te laten glijden… Doe Maar dreef mij tot het uiterste! Mijn kamer begon steeds meer te lijken op een Doe Maar-merchandisingverkooppunt. Sjaaltjes, T-shirts, hoofd- en polsbandjes, een badlaken, multomappen, foto’s, honderden buttons; mijn kamer puilde ervan uit. Iedere centimeter van de muren (en later ook het plafond) was bedekt met grote posters van Doe Maar en close-ups van Henny’s knappe gezicht met zijn stoere blonde piekhaar en heerlijke reebruine ogen… mmmm.

Welke man de eerste erotische gevoelens in mij deed ontluiken moge in zo’n omgeving duidelijk zijn. ‘Jezus, ik ben écht verliefd!’, besefte ik toen ik op een keer, nog van hevige verlangens vervuld, ontwaakte uit de heerlijkste droom die ik ooit had gehad. Het niet te verdragen verlangen naar zijn lichaam naast me maakte dat ik vanaf dat moment nooit meer hetzelfde meisje zou zijn. Ik werd een vrouw! En seks moest iets heerlijks zijn, wist ik nu. Een tongzoen op tv was voortaan niet meer vies maar begerenswaardig. Althans, als ik Henny erbij fantaseerde.

In bed luisterde ik via mijn koptelefoon vaak nog uren naar Doe Maar. In het donker kon ik me veel beter concentreren op Henny’s stem en ademhaling. Ik zóóg ieder geluidje van hem in me op.

Mijn ouders hadden geen videorecorder – een drama. Slechts door naar een Doe Maar-penvriendin te gaan die wel een video en dus normale ouders had, was het mogelijk om uren achter elkaar Henny in het echt te zien, Henny die bewoog, praatte en lachte. Wat was ik jaloers op die vriendinnen. Op de spaarzame momenten dat Doe Maar op tv te zien was, restte míj niets anders dan zoveel mogelijk foto’s van de televisie te maken.

Blijven zitten

Mijn passie voor Doe Maar had grote consequenties – in meerdere opzichten. Mijn schoolprestaties kelderden doordat huiswerk maken een welhaast onmogelijke opgave was als er dagelijks minimaal vijf brieven van Doe Maar-penvriendinnen moesten worden beantwoord. Dat daarnaast nog enkele uren werden besteed aan het draaien van Doe Maar-lp’s stond buiten kijf. Dit wreekte zich; in plaats van ‘gewoon’ te blijven zitten ging ik van 3 atheneum naar 3 havo. Ook sociale contacten hadden er zwaar onder te lijden. Vriendschappen waren alleen nog maar interessant als de vurige liefde voor Doe Maar kon worden gedeeld. Wat had je iemand te vertellen die zijn schouders ophaalde bij de woorden Henny en Ernst? Op school zonderde ik me steeds meer af van mijn klasgenoten; ik had genoeg aan mijn 37 penvriendinnen. Dat ik me soms eenzaam voelde werd bovendien ruimschoots gecompenseerd door Doe Maar zelf. Dáár leefde ik voor.

Voor een optreden in Eindhoven, de eerste keer dat ik mijn grote liefde daadwerkelijk zou kunnen zien, nam ik om zes uur ’s morgens de eerste bus om maar op tijd bij het verkooppunt te zijn. Tot mijn opluchting constateerde ik, blauwbekkend in de vrieskou, dat ik de eerste was. Dat de tweede fan pas na achten op kwam draven, gaf me het voldane gevoel dat ik inderdaad de allergrootste fan was. Niemand verdiende Henny zo als ik.

Lees ook de necrologie van Henny Vrienten: Het leven van Henny Vrienten stond in dienst van de muziek

Het concert zelf, waar ik maanden naartoe had geleefd, was zo voorbij. De anderhalf uur dat ze dan eindelijk in levenden lijve voor me stonden, beleefde ik in een roes. Voor ik het wist riepen ze ‘tot ziens’, kwamen nog een keer terug en dat was het dan. Het enige wat restte, was trachten nog een glimp van ze op te vangen bij het verlaten van de sporthal. Al gillend liet ik me geheel vrijwillig op een van hun rijdende auto’s vallen. Het was de verkeerde.

Doe Maar kreeg genoeg van die hysterie en trad alleen nog maar op in België. En dus reed mijn vader me honderden kilometers zuidwaarts. Mijn Belgische collega’s waren inderdaad stukken kalmer tijdens het concert. Hét moment om toe te slaan. Ik wachtte tot Henny mijn richting op keek, sprong op het juiste moment omhoog en gaf in de lucht een kushand. Henny knikte lachend naar me om me te bedanken – we hadden contact. Hij vond het leuk wat ik deed! – zie je nou wel. We pasten bij elkaar.

Uit elkaar

Woensdag 22 februari 1984. Een droom spatte uit elkaar. Op het Jeugdjournaal bracht Leoni Jansen het meest aangrijpende nieuws dat ik sindsdien te verwerken heb gehad: ‘Een schok voor alle Doe Maar-fans, want de groep heeft vanmorgen besloten uit elkaar te gaan.’ De rest van het bericht hoorde ik in een soort waas. Toen het voorbij was, zette ik de tv uit. Was ik de eerste paar minuten nog als verdoofd, daarna kwamen de tranen. Die onafgebroken stroomden – tot Countdown aankondigde dat Doe Maar nog éénmaal een concert zou geven.

Ook nu was ik weer de eerste die voor het VVV-kantoor plaatsnam. Tranen van geluk toen ik, het heilige relikwie in mijn hand geklemd, weer naar huis fietste. Er kwam een tweede afscheidsconcert. Ondanks een uitdrukkelijk verbod van mijn ouders kocht ik ook daar een kaartje voor. Wat de sancties ook zouden zijn, ik had het ervoor over. De twee concerten waren intens, geweldig en dramatisch. Het laatste nummer dat Doe Maar ooit zou spelen (De laatste keer) deed mijn hart ineenkrimpen.

Nepfans

Doe Maar was dan wel uit elkaar, toch had dat geen noemenswaardige consequenties voor mijn fan-zijn. Hordes ‘nepfans’, zoals ik ze minachtend placht te noemen, haakten al gauw af. Hadden mijn ouders waarschijnlijk vurig gehoopt dat die bezetenheid van mij nu eindelijk af zou gaan nemen, het leek er het eerste jaar nadat de groep uit elkaar was gegaan alleen maar erger op te worden. Nog fanatieker begon ik alles te verzamelen – het was nu of nooit. Er werd zelfs nog een heus Doe Maar-dekbedovertrek aangeschaft (mijn vader siste me wanhopig toe niet zo enthousiast te gillen in die beddenzaak; hoe kon hij zó nu nog een ‘die-groep-is-toch-allang-uit-elkaar-korting’ bedingen).

Toch – ook ik werd ouder. De passie brokkelde af. Ik begon zelfs andere muziek te draaien! Toen ging het snel. Leek de eerste ‘gewone’ jongen op wie ik verliefd werd nog verdacht veel op Ernst Jansz (een ‘Henny’ was ik helaas nog niet tegengekomen), bij de jongen daarna was ook die eis weggevallen. Mijn eerste echte tongzoen, ten slotte, betekende het definitieve einde van een tijdperk. De roze-groene mist trok op. Met verbazing bekeek ik de veelzijdige wereld, die plots voor me openlag.