Opinie

Wie dit voelt is gek

Eva Meijer

Soms lijkt de psyche net een machine. „Depressief brein krijgt betere samenhang door paddostof psilocybine”, las ik vorige week. En: „Verlost van angst met stroomstootjes in het brein.” Ideaal. Misschien is er kans op bijwerkingen zoals psychoses en je moet niet vergeten de batterij af en toe op te laden, maar toch: ideaal.

Tegelijkertijd was er in het afgelopen jaar veel aandacht voor gemeenschappelijk psychisch leed. Tijdens de coronapandemie hadden de studenten het bijvoorbeeld moeilijk. Meer dan de helft had eind vorig jaar psychische klachten, minstens een kwart had af en toe de wens om dood te zijn. Ook andere groepen – kinderen, ouderen – waren extra ongelukkig.

De sociale positie van mensen beïnvloedt ook los van pandemieën hun psychisch welbevinden. Nederlandse boeren zijn door hun onzekere toekomst vaker depressief en suïcidaal dan de gemiddelde burger. Queer jongeren hebben meer psychische klachten dan heterojongeren, en doen meer dan vier keer vaker een zelfmoordpoging dan niet-queer leeftijdgenoten.

Dat mensen die lijden onder uitsluiting of stigmatisering vaker psychische problemen hebben is logisch. Als de wereld je vertelt dat je niet de moeite waard bent vanwege je huidskleur, seksuele voorkeur of wat dan ook bestaat het risico dat je dat internaliseert. Als je bestaanszekerheid ter discussie staat ook. Toch wordt iemands innerlijke leven nog vaak gezien als iets wat alleen van diegene zelf is.

Gevoel is een publieke zaak, schrijft literatuurwetenschapper Ann Cvetkovich. Wat we voelen heeft invloed op de samenleving, maar is er ook door gevormd. Een medische benadering van depressie, angst of psychoses is onvoldoende. Psychische problemen hebben ook culturele en politieke oorzaken. En wat we als gek of normaal zien wordt gevormd door de maatschappij.

Schrijver Mark Fisher wijst hier op een dubbel verband tussen kapitalisme en depressie. Kapitalisme leidt onder meer tot vervreemding en dat maakt mensen depressief. Maar ook ons beeld over ziekte en gezondheid is erdoor gevormd. Een depressieve mens wordt gezien als een individu dat tijdelijk niet functioneert, een soort machine waar met pillen, stroomstoten of therapie weer beweging in kan komen. We hebben in dat beeld niet alleen recht op geluk, we zijn ook verantwoordelijk als we dat geluk niet bereiken. Lage serotonineniveaus zijn echt, schrijft Fisher, maar hebben vaak ook sociale en politieke oorzaken.

Het verbeteren van de geestelijke gezondheid houdt dus meer in dan het repareren van psyches die niet goed werken, hoe belangrijk dat voor individuen ook kan zijn. Ook sociale rechtvaardigheid is ermee verbonden, relaties met anderen, een perspectief op de toekomst. Er moet niet alleen meer geld naar de zorg, zorg zou iets moeten zijn wat zich afspeelt op verschillende plekken in de samenleving. Met zorg bedoel ik geen aardigheid of zachtheid, hoewel die ermee gepaard kunnen gaan. Eerder een houding die zich rekenschap geeft van anderen en zich richt op de gemeenschappelijke wereld.

Wat we schattig en lekker vinden, hoe vrijheid voelt of liefde is nu op een specifieke manier ingekleurd. Tot op een heel basaal niveau: neurowetenschapper Lisa Feldman Barrett schrijft bijvoorbeeld dat emoties aangeleerd zijn, geen ingebouwde universele primaire reacties op gebeurtenissen. Ze zijn echt, maar een sociale constructie.

Zelf voel ik meer dan gebruikelijk of handig is. Maar gevoel is ook een manier om de wereld te lezen. En ik vermoed dat juist de gevoeligen tegenwicht kunnen bieden tegen de onverschilligheid en de hardheid. Mensen leren sommige vormen van verdriet of depressie als afwijking te zien terwijl het soms een zuivere reactie is op een structureel probleem. We kunnen anders leren voelen. Niet omdat individuen maakbaar zijn maar omdat het samenleven beter kan. Dan hebben we de paddo’s niet meer nodig.

Eva Meijer is schrijver en filosoof. Ze schrijft om de week een column.