‘De gewone gevangenen vond ik leuker dan de Jehova’s getuigen’

Redacteur signaleert welke boeken er ook zijn verschenen en kiest er steeds zes om kort te bespreken. Deze week over de melancholieke teksten van Willem Wilmink, een Joods meisje dat met hulp van haar kat ontsnapt uit een Pools getto en een feministisch pleidooi van de schrijver Louis Couperus uit 1900.

1. Mariët Meester: Koloniekind

Wie nu het Drentse Veenhuizen bezoekt, doet dat misschien omdat de voormalige justitiekolonie sinds juli 2021 op de Werelderfgoedlijst staat. Of men las wellicht Het pauperparadijs van Suzanna Jansen die over haar voorouders schreef die in de heropvoedingskampen in Veenhuizen zaten. Nu is er het zeer persoonlijke, geëngageerd geschreven Koloniekind van schrijfster Mariët Meester, die zelf opgroeide in Veenhuizen omdat haar vader er directeur werd van de School met de Bijbel. Meester beschrijft haar herinneringen vanaf de kleuterschool tot haar achttiende verjaardag. Hoe ze in de klas zat bij haar vader, meester Meester, en hoe ze dan in het geheim de notulen van bestuursvergaderingen las. Het dorp had zijn eigen regels en gewoontes (zo kon je binnen de koloniegrenzen zonder rijbewijs rijden). Veenhuizen was in die tijd niet toegankelijk voor buitenstaanders, bezoek moest vooraf worden aangemeld. Iedereen was op de een of andere manier wel verbonden met de gevangenissen, voorheen de drie opvoedingsgestichten. Men werkte er als bewaarder, ambtenaar, dominee of in het Hospitaal waarvan de ziekenzalen nu indrukwekkende hotelkamers zijn. Het Vierde Gesticht is de bijnaam van de begraafplaats waarover Meester in haar boek als kind al prachtig schrijft, maar waar ze als volwassene, zoals ze afgelopen zaterdag in NRC schreef, anders over is gaan denken (‘Van de mythe over het massagraf klopt dus niets’). Het verschil met Het pauperparadijs is dat Koloniekind heel puur is geschreven vanuit een kind dat niet beter weet dan dat het leven wordt gedeeld met gevangenen (‘De gewone gevangenen vond ik leuker dan de Jehova’s getuigen’) zonder angst daarvoor, al nam het aantal ontsnappingen toe. Het Pauperparadijs daarentegen gaat over armoede in Nederland en de rol die de strafkolonie daarin heeft gespeeld.

Mariët Meester: Koloniekind. Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen. Arbeiderspers, 287 blz. € 21,99

2. Mala Kacenberg: Het meisje, de kat en het bos

Het Poolse Joodse meisje Mala Szorer (1927-2017) groeide op in het dorp Tarnogrod dat net als vele andere dorpen in Polen na de Duitse bezetting in 1939 in een getto veranderde. Mala is een van de negen kinderen die haar ouders moesten voeden en omdat de jongsten dreigen te verhongeren, besluit de dan twaalfjarige Mala met haar broer buiten de getto naar eten te zoeken. Het wordt de jongen fataal – hij wordt doodgeschoten door een Duitse soldaat – en vanaf dat moment durft Mala niet meer thuis te wonen omdat ze verraden is door een man uit hun dorp. Wanneer de familie weggevoerd wordt en naar later blijkt ook vermoord, slaat Mala op de vlucht (‘Ik had geen geweer, maar ik was gewapend met een enorme sterke wil om te overleven’). Ze wordt gevolgd door hun kat Malach die gedurende de oorlog haar beschermengel zal worden. Hij springt op het juiste moment uit een boom om een Duitse soldaat af te schrikken, of hij wijst haar de weg als ze op een splitsing staat. Ook Het meisje, de kat en het bos is met terugwerkende herinnering van een twaalfjarige geschreven. Het boek doet denken aan de aangrijpende biografie Ontsnapping uit het getto waarin het verhaal wordt verteld over de dertienjarige Poolse Joodse Chaim die in 1940 ontsnapte uit het getto van Lódz. Het grote verschil tussen beide boeken is dat John Carr, de zoon van Chaim, het verhaal van zijn vader waar mogelijk ‘verifieerde’ en documenteerde terwijl Mala Kacenberg zich uitsluitend op haar eigen herinneringen baseert. Ook Mala mag zich in 1945 in Engeland registreren als jonge vluchteling. Daar krijgt ze zo’n drie keer de vraag of ze geadopteerd wil worden, maar ze verkiest op zichzelf te gaan wonen. In tegenstelling tot Chaim, die zich in Engeland als katholiek bleef voordoen, besluit Mara haar Joodse geloof na de oorlog weer ten volle te belijden samen met haar latere echtgenoot Meir Kacenberg. Deze zeer persoonlijke, hoopvolle, al in 1995 door Mala Kacenberg geschreven memoir is nu voor het eerst vertaald in het Nederlands.

Mala Kacenberg: Het meisje, de kat en het bos. (Mala’s Cat). Vertaling Els van Son. The House of Books, 286 blz. € 21,99

3. Miriam Rasch: Autonomie. Een zelfhulpgids

Voor de filosofische pamfletreeks Nieuw Licht, waarin hedendaagse denkers met een klassieke tekst worden geconfronteerd, is de zevenentwintigste editie geschreven door Miriam Rasch. Aan deze filosoof en essayist werd voorgelegd hoe Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) tweehonderd jaar geleden de mens opriep zich te bevrijden van de macht van de kerk en van de macht der gewoonte (‘Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen’ en ‘De mens is toch meer […] dan een machine’). Hoe denken we nu over die vrijheid van handelen, het autonoom zijn, terwijl we geleid worden door algoritmen? In Autonomie. Een zelfhulpgids onderzoekt Rasch de kwestie door eerst stil te staan bij het begrip Verlichting en vervolgens de lezer uit te nodigen een aantal oefeningen tot zelfreflectie door te nemen; wat wilde je als tienjarige graag doen maar werd je geacht niet te doen? Wat wilde je ‘later’ worden dat niet geaccepteerd werd? Steeds is Rasch erop uit te helpen de ‘onmondigheid’, de term waarmee Kant de Verlichting duidde, te doorbreken. Maar zie die onmondigheid niet alleen letterlijk in het spreken, ook ons handelen kan van dwangmatig naar autonoom buigen. De oefeningen, de vele verwijzingen naar andere filosofen, schilders en schrijvers maar bovenal de overdenkingen van Rasch zelf, maken dit pamflet tot een van de beste uit de reeks.

Miriam Rasch: Autonomie. Een zelfhulpgids. Prometheus, 128 blz. € 16,99

4. Willem Wilmink: ’t Kon minder

De gedichten, liedjes en verhalen van neerlandicus Willem Wilmink (1936-2003) zijn vaak heruitgegeven, toch maakt Vic van de Reijt een prettige nieuwe keuze uit Wilminks grote oeuvre. De gebonden bloemlezing ’t Kon minder gaat zowel in de verhalen als in de gedichten gelijk op in de tijd: jeugdherinneringen aan de oorlog, school en het buurmeisje Ans tot vakanties, het eerstejaarsstudent zijn in Amsterdam, liefde, het scheiden (‘Nooit heeft een kind de schuld gehad/ als grote mensen scheiden’) en de dood. Van de Reijt plaatst gedichten en liedjes voor kinderen en volwassenen door elkaar, wat toch leidt tot een vanzelfsprekende eenheid. Zo staat het gedicht ‘Deze vuist op deze vuist’ probleemloos naast het gedicht ‘Oorlog’ (‘Niet bang voor de oorlog, maar voor je rapport’). Zijn toon is herkenbaar: melancholiek met lichte, soms geestige ondertoon. De verhalen zijn pure herinneringen aan de kleinste details: dat een klasgenoot op ’t Lyceum hem na het schoolzwemmen leerde hoe zijn natte rug af te drogen (‘Tot dan toe had mijn moeder dat elke zaterdag gedaan’). Maar laten we ook de door Van de Reijt terecht gekozen liedteksten niet vergeten zoals het door Kees Prins roerend vertolkte ‘Frekie’ of Herman Veens grote hit ‘Hilversum III’ (‘Hilversum III bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem’).

Willem Wilmink: ’t Kon minder. Samengesteld door Vic van de Reijt. Van Oorschot, 304 blz. € 27,50

5. Walter van den Broeck: Tijl Uilenspiegel

In Tijl Uilenspiegel bewerkte de Vlaamse schrijver Walter van den Broeck het verhaal van de rondreizende nar Tijl Uilenspiegel. Hij baseerde zich op het verhaal van de Belgische schrijver Charles De Coster die de sage in de negentiende eeuw nieuw leven had ingeblazen. In Tijl Uilenspiegel plaatst Van den Broeck het verhaal in de zestiende eeuw in het immense rijk van Karel V en later zijn zoon Philips II. In de Lage Landen worden gelovigen opgezet om niet-gelovigen te verraden. Ketters en heksen worden gefolterd, krijgen de strop of belanden op de brandstapel. Ook de vader van Tijl is dit lot beschoren en Tijl zal niet rusten voordat hij zijn vader gewroken heeft. Hij sluit zich uiteindelijk aan bij de protestantse watergeuzen en krijgt zelfs van prins Willem de Zwijger het gezag over het geuzenschip waarmee Alva bij Den Briel verslagen wordt. Gedurende het hele verhaal worden de grappen die Tijl uithaalt breed uitgemeten en of ze nu heel flauw of behoorlijk doortrapt zijn – Tijl komt er mee weg. Alleen de diepe liefde voor zijn familie, de buren en zijn religieuze motto lijken oprecht: ‘Waar de een de ander voorschrijft wat hij moet geloven en hoe hij leven moet, regeert niet God maar de duivel’. Aanrader om mooi uitgewerkte, historische verhaallijnen.

Walter van den Broeck: Tijl Uilenspiegel. Vrijdag, 320 blz. € 23,50

6. Louis Couperus: Langs lijnen van geleidelijkheid

In de serie ‘hertaalde klassiekers’ heeft docent Nederlands Albert Kroezemann de roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) van de grote Nederlandse schrijver Louis Couperus (1863-1923) fijnzinnig hertaald. De hoofdpersoon Cornélie de Retz van Loo trouwde op haar 22ste met baron Rudolf Brox in Den Haag, maar scheidde na een jaar van hem omdat hij haar mishandelde. De jonge onafhankelijke, niet door haar familie gesteunde Cornélie (‘Wijd was de eenzaamheid en pijn deed haar leed’) gaat wonen in pension Belloni in Rome. Het onderwerp van de roman – mishandelde vrouw scheidt van haar man, gaat op zichzelf wonen, valt voor een arme kunstenaar en wordt bedreigd door haar ex-man – kreeg pas later erkenning. Tijdens het leven van Couperus beleefde het boek slechts één druk. Om die latere erkenning te onderschrijven wordt in het nawoord neerlandica Elsbeth Etty geciteerd: ‘De onverbloemde wijze waarop Couperus in deze horror story geweld tegen vrouwen aan de orde stelt en de gevolgen daarvan analyseert, maakt van Langs lijnen der geleidelijkheid een geëngageerd literair pleidooi voor feminisme en seksuele bevrijding.’

Louis Couperus: Langs lijnen van geleidelijkheid. Hertaald door Albert Kroezemann. Kleine Uil, 274 blz. € 19,50