Recensie

Recensie Boeken

‘Hij maakt een geheim van mij, van ons, en dat maakt het pervers, spannend, verkeerd’

Liefde Is elke ongelukkige verliefdheid ongelukkig op zijn eigen wijze? In Emy Koopmans meeslepende autobiografische roman houdt ze haar verliefdheid tegen het licht – en misschien niet alleen de hare.

Illustratie Frann de Bruin

De laatste keer dat er bij mij een vurige verliefdheid opvlamde, trof ik een gedicht dat, verdomd als het niet waar is, over mij ging. ‘Voortekenen’ heet het (Louise Glück schreef het en de vertaling is van Radna Fabias, uit de bundel Averno), en het begint ermee dat de verteller zijn of haar beminde tegemoet rijdt, en ‘dromen/ zwermden om me heen als levende wezens/ en de maan aan mijn rechterkant/ volgde me, brandend’. Een couplet later, als de verliefde droef naar huis terugkeert, vertelt de wereld iets heel anders: ‘de maan aan mijn linkerkant/ volgde me zonder hoop’.

Dan volgt de conclusie, die wekenlang als de soundtrack van mijn verliefdheid door mijn hoofd galmde:

‘Aan zulke eindeloze indrukken geven wij dichters ons volkomen, we maken, stilletjes, van louter gebeurtenissen voortekens, tot de wereld de diepste behoeften van de ziel weerspiegelt.’

Ik las daarin een rationaliserende waarschuwing voor de irrationele, aan waanzin grenzende toestand waarin de dolverliefde verkeert. De wereld zegt je niets, dat doe je zélf, dichtertje, van louter gebeurtenissen voortekens maken. Dat je haar tegenkwam tijdens een wandeling in het park, dat toen net de zon achter de wolken tevoorschijn kwam, dat dat ene liedje net gedraaid werd toen jij in dat café was, terwijl je het anders nooit hoorde. Dat is toeval, geen teken. En toch: ik las het gedicht juist óók als een bevestiging, dat het klopte, dat het zo moest zijn, een teken van het universum dat die overweldigende connectie ondersteunde: dat ik nu net, precies nú, op dít gedicht stuitte. Wie houdt wie nu voor de gek?

Voor die herkenning kun je goed terecht in Tekenen van het universum, een absolute aanrader bij het liefde-thema van deze Boekenweek. Het is het eerste autobiografische boek van Emy Koopman (1985), die afstudeerde in psychologie en literatuurwetenschappen en na twee slimme, intrigerende romans nu weer iets heel anders publiceerde: dit boek is een ‘verslag van een obsessie’, over haar verliefdheid – op een andere man dan degene met wie ze een gelukkige relatie heeft.

Zeldzame uitzondering

Ze is als documentairemaker op reis in Canada, als er een sneeuwstorm uitbreekt en de filmploeg strandt, in een stadje waar net de hotels vrijwel volgeboekt blijken – de oplossing is dat Emy en ‘A’, die als productiemedewerker meewerkt, een hotelkamer delen. Onschuldig en niet zo onschuldig tegelijk: want er wás al iets tussen hen, ‘A en ik, wij zaten in dezelfde spanning, dezelfde onzekerheid, dezelfde verveling, dezelfde hongerigheid, elkaar berichtjes te sturen’, en: ‘De dag ervoor had A mijn hand aangeraakt’, schrijft Koopman. Ze voelen zich gezien door elkaar.

Die nacht in de hotelkamer ‘gebeurt’ er niet echt iets, zoals dat heet, want beiden hebben een relatie waarmee ze gelukkig zijn, dus de volgende dag gaat het gewone leven door, en toch is er ook genoeg spanning om iets in gang te zetten – in eerste instantie een correspondentie met een oceaan ertussen, een afstand die de harten alleen maar verliefder maakt. In Koopmans relatie is daar ruimte voor, althans in theorie, als ‘zeldzame uitzondering’, die ze eerder met haar geliefde had besproken: ‘Ik zei dat ik het zonde vind als goede relaties stuklopen omdat een van de twee iets met een ander heeft gedaan. Dat het toch kan gebeuren dat je iemand zo aantrekkelijk vindt dat je daarnaar wil handelen.’ Dus ze vertelt haar vriend over haar gevoel voor A en ‘ik geloof, ik hoop, dat hij en ik een ander soort relatie kunnen hebben naast deze twee relaties’. Bij A thuis ligt het wat lastiger – hij is niet zo open: ‘Hij maakt een geheim van mij, van ons, en dat maakt het pervers, spannend, verkeerd, erotisch. Ik wil het en ik wil het niet. Maar ik ga er hoe dan ook mee door.’

De goden spelen spelletjes

Smakelijk is het, meeslepend, op een lichtelijk gênante manier: het eerste deel van Tekenen van het universum biedt de lezer in de eerste plaats een soapachtig genoegen. Voyeuristisch meekijken in een privéleven, sensatievol meegevoerd worden in een verliefdheid die Emy terugwerpt in een puberaal soort waanzin, en toch o zo herkenbaar, wie verliefd is, is gek – en misschien is het wel zo dat alle gelukkige verliefdheden op elkaar lijken. Tegelijk maakt Koopmans zelfbewustzijn er meteen meer van dan haar particuliere verslag: als schrijver kan ze diepte toevoegen, reflectie, want ze heeft, nog meer dan als de psycholoog waartoe ze opgeleid is, ‘de luxe om na te mogen denken over wat alles te betekenen heeft’.

En alles hééft te betekenen. Uiteraard: ‘Ik kan niet naar de dichtstbijzijnde winkelstraat lopen zonder eerst een kerk en dan een straat met zíjn heilige, zíjn naam te passeren. (Welke heilige is het eigenlijk?, vraag ik me af. Ik zoek het op: de beschermheilige van reizigers, en van verliefden.)’ Jazeker, zo voelt dat, maar eerlijk is eerlijk: zo kun je eindeloos doorgaan. ‘De goden spelen spelletjes met ons’, inderdaad, maar zullen we, atheïsten onder mekaar, het denken daar niet mee laten eindigen?

Dat doet Koopman dus niet, voor haar is zo’n voorteken eerder een begin dan een eindpunt. Ze heeft ook wel door dat ze meegesleept wordt, en dat blijven nadenken daartegen de remedie is. Ze neemt de vrijheid van de essayist en gebruikt haar betrekkingswaan om interessante en onverwachte verbindingen te leggen, raakt verzeild in gedachten en komt tot prikkelende inzichten – en voorziet de wereld op die manier van betekenis. Bijvoorbeeld: de tatoeage die A op zijn arm heeft, een acéphale, een symbolisch beeld dat verbonden is met de Franse filosoof Georges Bataille, over wie – verdomd – Emy Koopman zelf nog eens een werkstuk schreef. Bataille, die nota bene nadacht over ‘waarom we onszelf verliezen in het verlangen naar een ander’ en noteerde dat erotiek ten diepste ‘geweld’ is, violation. ‘Het samensmelten met een ander, licht Bataille toe, is “de grootste gewelddadigheid”.’ Koopman neemt het serieus en biedt weerwerk, want ‘waarom zou het in plaats van een vernietiging geen verveelvoudiging kunnen zijn, een groter worden?’

Magerzucht

Het is een uitwerking van de hoofdvraag van Tekenen van het universum, die zich simpelweg laat samenvatten als: kan het? Kan ze iets met die verliefdheid op A? Lukt het iets betekenisvols op te tuigen, náást die bestaande relaties? Niet dat Koopman een verkenningstocht onderneemt in de wereld van open relaties of polyamorie – dat is een brug te ver, want dat lijkt er voor A niet in te zitten, het uitgangspunt blijft het (ingebakken) idee van een relatie met iemand die ‘echt voor je gaat’, en ergens heerst nog de angst dat alles wat daarmee kan concurreren vernietigend werkt. Maar wat dán?

Het is niet alleen denken en schrijven en smachten wat er gebeurt in Tekenen van het universum. Emy weet het zo te fixen dat ze, mét haar geliefde, een aantal weken in Montréal gaat wonen, zowat om de hoek bij A en zijn geliefde Charlotte. Dan zijn ze én dichter bij elkaar, én kunnen ze de voorgenomen relatie, of ‘vriendschap’, misschien wel gaan vormgeven. Er breekt een nieuwe fase aan van koortsachtig app-reacties afwachten, afspraken met net te veel mensen erbij, van kampeerweekendjes met de twee stellen in de wilde natuur, waarbij de opmerkingen waarin je dubbelzinnigheid kúnt horen niet van de lucht zijn – en nog steeds wil Emy weinig anders dan A aanraken, vasthouden, omhelzen.

Het verlangen wordt steeds wanhopiger. Als twee mensen zó dol zijn op elkaar, waarom kunnen ze dan niet samen zijn? In wat voor wereld leven we dan? Langzaamaan wordt de verliefdheid iets beschamends – Koopman schrijft sterk als ze de kwetsbaarheid opzoekt (al voelt het als een omissie dat ze niet schrijft over wat haar verlangen doet met haar seksleven met haar vaste verkering – pardon).

Tekenen van het universum zoomt zowel uit als in: Koopman zoekt evenzeer naar zin en betekenis en verklaringen in haar eigen relatiegeschiedenis, en meer systematisch in culturele mechanismen en mens- en denkbeelden. Liet ze zich als geliefde te vaak vormen door haar object van affectie, verdrinkend in verlangen, waardoor ze steeds weer zichzelf kwijtraakte? (Een zelftypering die je onthoudt: ‘Makkelijk en zoet ben ik, limonadesiroop, je kunt me eeuwig aanlengen.’) Wat zegt het dat ze zich als pubermeisje eens in haar polsen sneed, dat ze zich een eetstoornis in hongerde?

Het is een geluk dat Koopman zowel kan psychologiseren als analyseren, dat ze voelt én denkt én patronen ziet: ‘Meisjes heroveren de controle over zichzelf, over hun lichamen, op de manieren die ze tot hun beschikking hebben. De magerzucht is de perverse genoegdoening, even pervers als de manier waarop de wereld omgaat met vrouwenlichamen.’

Romantiek als excuus

Op elegante wijze incorporeert Koopman veel feministische denkers in haar verslag, zij het zonder er de heilige graal in te vinden. Misschien is het verloop van deze verliefdheid, tussen Emy en haar A, tóch eerder door twee persoonlijkheden gekleurd dan dat er onontkoombare culturele structuren opspelen? Is elke ongelukkige verliefdheid ongelukkig op zijn eigen manier? Die mogelijkheid, die twijfel, verdwijnt nooit helemaal uit het boek. Zo laveert Koopman soepel tussen de klippen van millennial-egocentrisme en gemakzuchtig slachtofferdenken door. Het maakt Tekenen van het universum des te krachtiger, wijzer.

Want het is ook gemakkelijk om verbanden te leggen, verklaringen te vermoeden, omdat die de wereld bevattelijk maken. ‘Het getuigt van een gevoel voor schoonheid om de terugkerende beelden en gebeurtenissen in je leven te zien als motieven, waaruit je een compositie kunt maken’, schrijft Koopman. Dat zou verraderlijk kunnen zijn, waarbij de romantiek een excuus wordt. Het is als met tarotkaarten: ‘Het toeval laat je de tekenen zien, aan jou de interpretatie. Zie je hier iets in? Kun je dit op jezelf betrekken?’

Gaat dit over mij, of is dat ook te makkelijk om te denken? Als het op de liefde aankomt, op de vraag wat je met je verliefdheid moet, kun je je beter niet wentelen in de magie van voortekenen, beter niet passief toekijken. Zoals Koopman schrijft: ‘We doen alsof verliefdheid de ultieme zwakte is om te verhullen hoe sterk ze in werkelijkheid is.’