Opinie

Frans debat over verloren grandeur is een mediadebat

Met identiteit is de Fransman niet zo bezig, ziet . Waarom hebben politici het dan nergens anders over?

Een vlag aan de Arc de Triomphe ter gelegenheid van de Europese top.
Een vlag aan de Arc de Triomphe ter gelegenheid van de Europese top. Foto Chesnot / Getty Images

‘Ik wil Molière in het Panthéon!” Het was voor mij het mafste moment in de aanloop van de Franse presidentsverkiezingen: de centrum-rechtse Valerie Pécresse die voor een hal vol vlaggen zwaaiende partijgenoten haar kandidatuur kracht probeerde bij te zetten met een kreet over de gewenste bijzetting van ’s lands grootste toneelschrijver in het mausoleum voor Grote Fransen. Veel Franser kreeg je het niet. Welke Nederlandse politicus zou in verkiezingstijd ooit over Vondel beginnen – of over welke kunstenaar dan ook?

De uitbarsting van Pécresse deed in meer opzichten onmiskenbaar Frans aan: de ingegroeide obsessie met grandeur (het Panthéon!), nationale trots („Molière, c’est l’esprit français”), en een onnavolgbare hang naar gezwollen taal: Molière was voor haar het „gezicht van het Frankrijk dat de Mensheid met een gulle lach begroet”.

En er was de onvermijdelijke geur van rancune: een woordvoerder van Macron liet begin dit jaar weten dat er voor Molìere geen plaats is in het Panthéon, omdat het instituut een Republikeinse aangelegenheid is en Molière, die dit jaar zijn vierhonderdste geboortejaar viert, is nu eenmaal van vóór de Verlichting. Het zoveelste bewijs van gebrek aan nationale trots bij de macronisten, wilde Pécresse maar zeggen.

Het werkte niet. Pécresse is een abominabele spreker, haar publiek juichte plichtsgetrouw, enkel omdat het was gekomen om te juichen. Sindsdien ging het bergafwaarts met haar campagne, ze maakt zondag geen schijn van kans.

Molière in het Pantheon – nu ik een tijd in Parijs verblijf, lijken die typische Franse obsessies vooral voorbehouden aan een permanent verhitte politieke en intellectuele klasse. Je hoort erover op televisie en Twitter, je leest erover in boeken en gewichtige tijdschriften, maar zelden in het dagelijkse leven. Het kan aan mijn vrienden en kennissen liggen, maar ik ben nog niemand tegengekomen die tegen me begon over het onafwendbare verval van Frankrijk, de teloorgang van de grootsheid van voorheen, de dreigende grand remplacement, of dat het een schande is dat de Franse regering ter ere van het Franse voorzitterschap van de EU de Europese vlag even aan de Arc de Triomphe hing.

Ik heb eens een man ontmoet die speciaal voor mij zijn overhemd uitdeed om mij het familiewapen van Napoleon III te tonen, dat hij tot aan zijn bilnaad op zijn rug had laten tatoeëren - volgens hem een groot man. Maar dat is zo’n beetje het enige wat ik de afgelopen jaren aan doorgeschoten nationalisme ben tegengekomen.

Parijs is Parijs, natuurlijk. Maar volgens de auteurs van het boek Entre déclin et grandeur gaat dat beeld voor heel Frankrijk op. Thierry Keller en Arnaud Zegierman interviewden tientallen Fransen van allerlei soorten en maten, verspreidden daarna gerichte vragenlijsten onder nog meer Fransen, en stelden vast dat die obsessie met gewezen grootsheid en catastrofaal verval helemaal niet zo alomtegenwoordig is als je zou denken wanneer je enkel op Franse media afgaat.

Veel Fransen, dat wijst ook hun onderzoek uit, zijn weliswaar bezorgd, somber of bang, maar dat gaat zelden over verloren grootsheid. Van de ondervraagde jongeren vindt 40 procent dat men in Frankrijk het verleden idealiseert, bij de Fransen boven de 65 jaar loopt dat zelfs op tot meer dan 60 procent. Ook in het heden is het voor opvallend veel Fransen goed toeven. Boosheid en grieven genoeg, maar een ruime meerderheid vindt Frankrijk een buitengewoon aangename plek om te leven. Men betreurt steeds opnieuw de polarisatie, de door de media-elite aangedreven hysterie over een Frankrijk dat op de rand van een burgeroorlog zou staan. Een meerderheid van de Fransen meent dat verschillen te overbruggen zijn.

De grootste zorg van de Fransen op dit moment, laat een Ipsos-peiling deze week zien, is verlies aan koopkracht.

Waar een flinke meerderheid van de Fransen zich wel zorgen over maakt, is hun ‘manier van leven’, een meer ongrijpbare vorm van identiteit. Nu is het allemaal nog best oké, maar blijft dat zo?

Precies dat moet de reden zijn waarom de theatrale onheilsvoorspellingen van Zemmour en de zijnen op buitensporig veel aandacht kunnen rekenen, waarom het in de media eindeloos gaat of die Europese vlag daar wel mocht hangen aan de Arc de Triomphe. Weinig mensen kan die vlag daar echt wat schelen, maar erover polemiseren is een onweerstaanbare prikkel – en verdienmodel – in een land waarin men de toekomst vreest.

Op deze plek schrijft Bas Heijne om de week vanuit Parijs.