Recensie

Recensie Boeken

We hebben het met elkaar te doen

Filosofie Spreken over vrijheid vraagt om een obsessieve nieuwsgierigheid naar de ander, schrijft Maggie Nelson in haar nieuwe boek. Het leest als een oefening in vrijdenken.

Demonstratie in Parijs in 1994.
Demonstratie in Parijs in 1994. Foto Gamma Presse/ANP

Wat haal je je in je hoofd als je een boek besluit te schrijven over vrijheid? Moet dat dan ook gaan over antivaxers en mondkapjesweigeraars? Of, in de Amerikaanse context, ‘de bescherming van het ongeboren kind, het provoceren van links, en het recht om wapens te dragen’? Je opwerpen voor de vrijheid, schrijft Maggie Nelson, is niet vanzelfsprekend voor een onverbloemd linkse intellectueel zoals zij. Toch werkte ze jarenlang door aan On Freedom: Four Songs of Care and Constraint, dat nu is vertaald als Over vrijheid. In kunst, seks, drugs en klimaat.

In vier thematische hoofdstukken onderzoekt Nelson ‘praktijken van vrijheid’ (een verwijzing naar Michel Foucault). Over vrijheid is dus geen historische beschouwing zoals Vrijheid. Een woelige geschiedenis van Annelien De Dijn, geen autobiografie zoals het succesvolle Vrij van Lea Ypi, over een jeugd in Albanië. Vooral leest dit boek als een oefening in vrijdenken – het gaat daar niet alleen over, maar toont het ook in stijl en vorm.

Dat is aan Maggie Nelson (San Francisco, 1973) wel vertrouwd. Rond 2015 brak de Amerikaanse auteur internationaal door met The Argonauts, een memoir-essay-roman over queer moederschap, psychoanalyse, kunst en zoveel meer. Eerder schreef ze onder meer poëzie en een boek over wreedheid in de kunst. Haar professies als kunstcriticus en academicus treden in Over vrijheid nadrukkelijk op de voorgrond. Niet dat ze spreekt als autoriteit met een nietsontziend oordeel of als leermeester die alle antwoorden in bezit heeft. Nelson wil ‘samen met anderen hardop nadenken’. Ze laat je meekijken in het hoofd, de boekenkast en het leven van een bijzondere denker die, in alles wat ze doet, uit de hokjes breekt.

Dat vraagt soms de nodige hersengymnastiek. Nelson neemt altijd de ander serieus in hun eigen vrijheidspraktijk, valt nooit terug op ‘hoe het hoort’, maar stelt het oordeel steeds weer uit. Alleen zo, in radicale openheid, kun je vrijheid in al haar facetten doorgronden. Het begrip wordt al langs alle kanten opgesloten in een moraliserende betekenis, en het laatste wat Nelson wil is daar haar eigen moraal voor in de plaats zetten.

Aids crisis

Dat wordt het sterkst duidelijk in het hoofdstuk over seksuele vrijheid – dat evenzeer gaat over genderongelijkheid. De puriteinse moraal ligt steeds op de loer, ook bij degenen die strijden voor gelijkheid. Vrouwelijke begeerte bijvoorbeeld, wordt al te vaak verdacht gemaakt, ook in discussies over consent of grensoverschrijdend (mannelijk) gedrag. Maar door steeds de nadruk te leggen op de macht van de man en zijn oncontroleerbare neigingen, dreigt de lust van de vrouw uit beeld te geraken. Vrijheid bestaat echter ook in de zeggenschap over wat die vrijheid voor jou betekent, juist als dat afwijkt van de gangbare normen en waarden.

Nelson leerde die les tijdens de aids crisis en de protesten en actiegroepen waarvan zij deel uitmaakte. De strijd voor gelijkheid moet hand in hand gaan met die voor vrijheid:

‘Het ging erom dat je stelling nam tegen fel vooringenomen moralisten die geen zier gaven om jouw leven (velen hadden waarschijnlijk het liefst gezien dat je het leven liet), en dat je vasthield aan je recht op je eigen levensenergie en je eigen seksuele uitingen, zelfs als de cultuur je voorhield dat je verlangen een doodvonnis was en dat je het aan jezelf had te danken als het je dood werd.’

Spreken over vrijheid vraagt altijd om de inzet van je persoonlijke leven, aldus Nelson. Je kunt niet oordelen over de vrijheid van anderen – of de beperking daarvan – zonder je eigen positie daarbij te expliciteren. Daarom schrijft ze in het hoofdstuk over drugs onder meer over haar besluit om de alcohol vaarwel te zeggen. Dat ging niet zo autonoom als het klinkt. Eerder beschrijft ze het als een besef dat van buiten op haar neerdaalde: ik moet stoppen. Het toont hoe vrijheid en afhankelijkheid stuivertje kunnen wisselen, met de mens als speelveld. Wat zegt dat over vrijheid? In elk geval dat ze nooit absoluut kan zijn, en dat ze je gegeven kan worden.

Waar ligt de grens van mijn vrijheid? Bij zelfdestructie? Bij de vrijheid van de ander? Natuurlijk. Maar in de praktijk zijn grenzen subjectief en verschuiven ze in de loop van de tijd, zo laat Nelson keer op keer zien. Zo ook in het hoofdstuk over kunst. (Goede) kunst is gelaagd en niet uit op simplistische oordelen, de betekenis ervan blijft open en multi-interpretabel. Juist daarom is de vrije ruimte van de kunst essentieel. Er zijn volgens Nelson dan ook nauwelijks voorbeelden te bedenken waarbij ‘cancelen’ gerechtvaardigd is. Al weet ze dat het haar niet bij iedereen populair zal maken, ze blijft stevig grip houden op de vrijheid.

In het laatste hoofdstuk, over klimaatverandering, verslapt die grip enigszins. In het licht van een naderende apocalyps lijken complexiteit, openheid en een afkeer van moraal niet behulpzaam. Dat lijkt Nelson zelf ook te beseffen. Moeten we niet alle vrijheden opschorten om de planeet te redden? Zijn grenzen aan ons gedrag niet noodzakelijk? Moet vrijheid beperkt worden tot de ‘vrije’ keuze om nooit meer te vliegen? Of is dat puriteins gemoraliseer?

Deze ultieme test voor de vrijheid schuift een ander kenmerk naar voren, dat uit Over vrijheid te destilleren valt: vrijheid heeft altijd te maken met de ander. Kon ‘het verlies van levens, diersoorten en bewoonbare streken maar beperkt blijven tot diegenen die daarin hebben toegestemd, maar helaas, onze onderlinge afhankelijkheid is grenzeloos,’ verzucht Nelson. We hebben het met elkaar te doen. Vrijheid heeft nooit alleen maar betrekking op het individu en vraagt daarom om een haast obsessieve nieuwsgierigheid naar de ander. Het is knap hoe Nelson dat kernachtige inzicht ook in de vorm van deze essays tot uitdrukking brengt.