Opinie

Voedselprijzen moeten hoog op de internationale agenda

graantekort

Commentaar

Terwijl Europa zich vooral druk maakt om de stijgende prijs van energie, leidt de oorlog in Oekraïne tot een prijsexplosie van voedingsmiddelen die in arme landen misschien nog wel veel meer invloed heeft. Rusland en Oekraïne zijn samen goed voor 30 procent van de mondiale export van graan en 18 procent van de wereldwijd uitgevoerde mais, stelt het Internationaal Monetair Fonds. Niet alleen ligt een deel van de Oekraïense productie door de oorlog plat, zaaien is moeilijk tot onmogelijk. Bovendien vindt de export vooral plaats via havens aan de Zwarte Zee, die niet functioneren.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de prijzen van voedsel fors gestegen zijn. Vorig jaar was dat al met bijna een kwart, omdat hogere vervoerskosten en logistieke moeilijkheden die veel internationale productieketens teisterden, ook veel voedingsmiddelen troffen. Daar komt de oorlog in Oekraïne nu nog eens overheen. Op de termijnmarkten is rijst al 20 procent duurder dan een half jaar geleden, maïs bijna 50 procent. Tarwe is, volgens de laatste cijfers, zelfs twee derde in prijs gestegen. Toekomstige oogsten zijn onzeker: kunstmest is deels afhankelijk van grondstoffen uit Rusland en vergt veel energie bij de fabricage.

Dat is allemaal lastig voor de westerse consument, die gemiddeld 17 procent van zijn inkomen aan voeding besteedt. Maar van de kosten daarvan zijn grondstoffen als tarwe of maïs maar een klein deel – veel van de prijs zit in vervaardiging en arbeidsloon. Duurdere tarwe komt lang niet één op één terug in duurder voedsel.

Met name voor armere landen, van het Midden-Oosten tot Oost-Azië en Afrika, ligt dat heel anders. Daar is het aandeel van voeding in de uitgaven hoger, met tot wel 40 procent van het inkomen in Afrika onder de Sahara. Voor de allerarmsten in die arme landen geldt het prijseffect dan ook nog eens het sterkst. Voor hen maakt tarwe, maïs of rijst een groot deel uit van het dagelijkse dieet. Prijsstijgingen daarvan hebben dus een direct en fors effect op de kosten van het levensonderhoud. Of pregnanter gesteld: ze maken het verschil tussen leven op of onder de armoedegrens. Tussen drie of twee maaltijden per dag. Of één.

De hoge prijzen zijn slechts deels te wijten aan speculatie. Dit soort grondstoffen wordt verhandeld op de internationale termijnmarkt. Het is ondernemingen niet aan te rekenen dat zij hun bevoorrading daar veilig stellen, desnoods door méér te betalen.

Hoge voedselprijzen betekenen niet alleen menselijk leed, ze kunnen zich ook vertalen in politieke instabiliteit. De Arabische Lente van 2010 en 2011 is, onder meer door de Wereldbank, deels in verband gebracht met de hoge voedselprijzen van destijds. Zo kan de oorlog in Oekraïne op een onverwachte manier besmettelijk worden en leiden tot honger, onrust en conflicten duizenden of zelfs tienduizenden kilometers verderop. Dat onderstreept dat de wereldeconomie en voedselvoorziening een complexer systeem zijn geworden, waar een probleem op de ene plek kan leiden tot chaos elders.

Een eenvoudige oplossing is er niet. Maar het volgende is de overweging waard: de afgelopen twee jaar van de pandemie hebben er op gewezen dat het Westen goed voor zichzelf kan zorgen, maar de rest van de wereld te gemakkelijk vergeet als het er op aankomt. Dat mag niet worden herhaald. De internationale agenda is drukbezet. Maar het veilig stellen van de voedselvoorziening, een remedie tegen de hoge prijzen, verdient daarop een van de hoogste plekken.