Recensie

Recensie Boeken

Wat heeft een leerling aan het gymnasium?

Heeft het gymnasium nog wel bestaansrecht? Dat is de overkoepelende vraag die twee verschillende auteurs stellen over deze ‘eliteschool’ die nog steeds zo in trek is.

Latijnse les bij mevrouw Koekoek op het Vossius Gymnasium in Amsterdam.
Latijnse les bij mevrouw Koekoek op het Vossius Gymnasium in Amsterdam. Foto Doriann Kransberg/Stadsarchief Amsterdam

Scholen van vroeger staan de laatste jaren nogal in de belangstelling. Al eerder verschenen studies over de hbs en over de mulo en nu, onafhankelijk van elkaar, twee boeken over het gymnasium. Het bijzondere van die laatste school is natuurlijk dat deze tot op de huidige dag (ondanks de vele aanvallen vanuit de politiek) is blijven bestaan. Dat maakt de geschiedenis ervan interessant.

Mirjam Remie, voormalig redacteur onderwijs bij NRC, schreef Het gymnasium, een zeer persoonlijk boek over de school van haar jeugd, door haar getypeerd als ‘een eigengereid schooltype’. In haar eerste hoofdstuk formuleert zij haar hoofdvraag: heeft het gymnasium – en wat is dat eigenlijk? – nog bestaansrecht? Voor haar boek interviewde zij rectoren, leerlingen, politici en (oud-)leraren, bestudeerde beleidsstukken en verdiepte zich in de onderwijsgeschiedenis. Dat alles heeft zij afgewisseld met persoonlijke herinneringen aan haar schooltijd op het Erasmiaans gymnasium van Rotterdam. Het heeft een goed leesbaar, ook wel dierbaar boek opgeleverd waarin het gymnasium in het algemeen, en meer in het bijzonder het Erasmiaans gymnasium van verschillende kanten wordt beschreven. Bij zo’n persoonlijke aanpak ligt wel het gevaar van nostalgie op de loer en Remie ontkomt daar niet aan.

Het gymnasium staat sinds jaren bloot aan kritiek, als een inrichting die de kansenongelijkheid tussen leerlingen vergroot of in ieder geval accentueert. Al een halve eeuw wordt er verhit gediscussieerd over de oprichting van een ‘middenschool’ in welke vorm dan ook, om het selectiemoment uit te stellen. Daarmee zou het gymnasium de facto verdwijnen. Terecht wijst Remie erop dat scholen niet zomaar verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de oplossing van het grote maatschappelijke probleem van ongelijkheid. Het onderwijs kan niet íeder probleem in de samenleving oplossen. Maar Remies boek leest toch net iets te veel als een loflied. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk in de apart geplaatste schetsjes van meer of minder bekende Nederlanders over hun blije herinneringen aan hun schooltijd.

Klassieke talen

Mirjam Remie probeert verder het nut van de klassieke talen te verdedigen, in de veronderstelling dat deze het gymnasium definiëren. Maar de argumenten die zij aandraagt, kunnen niet echt overtuigen. Het mag zo zijn dat het vertalen van teksten uit de oudheid de leerling in contact brengt met de kernwaarden van de westerse beschaving, maar kennis van het christendom hoort evenzeer bij de westerse cultuur. En die kennis is buiten scholen met de bijbel vrijwel verdwenen. Zou daar dan op het gymnasium niet veel meer aandacht aan moeten worden besteed? En zijn het eigenlijk wel exclusief de klassieke talen die leerlingen in contact brengen met vreemde culturen van vroeger tijden?

Mirjam Remie schrijft dat zij ‘het’ gymnasium heeft bestudeerd, maar in feite heeft ze zich beperkt tot de zelfstandige gymnasia. Dat zijn ook precies de scholen die momenteel zozeer in trek zijn bij ouders van leerlingen. Er is niks tegen een boek over het categoriaal gymnasium, maar dat is toch wel iets heel anders dan een gymnasium op een scholengemeenschap en je kunt in dat licht niet zomaar spreken over ‘het gymnasium’.

Geur van elite-onderwijs

Een stuk minder persoonlijk is het boek van Diederik Burgersdijk, een gerenommeerd classicus die eerder onder andere een lezenswaardige studie publiceerde over twee romeinse keizers, Augustus en Constantijn en een essaybundel over de perceptie van de klassieken in Europa. Aan het begin van zijn nieuwste boek, Gymnasium. Geschiedenis van een eliteschool, constateert Burgersdijk dat het gymnasium zich sinds twintig jaar mag verheugen in een ongekende populariteit. De scholen groeien als kool, niettegenstaande (of misschien wel juist vanwege) de kritiek op een schooltype dat de geur om zich heeft hangen van elite-onderwijs voor economisch, maatschappelijk en cultureel toch al bevoorrechte kinderen.

De verklaring voor die populariteit zoekt de auteur niet bij de klassieke talen, maar bij de opmerkelijke veerkracht van het gymnasium en vooral ook het unieke karakter van de schoolsoort, namelijk de zelfstandigheid. De populaire gymnasia bieden, schrijft hij, kleinschalig onderwijs van relatief hoog niveau. Categoriale gymnasia bloeien in een grootschalige omgeving. Dat lijkt een logische conclusie.

Toch is de populariteit van het gymnasium niet het hoofdonderwerp van het boek. Burgersdijk onderzoekt – op grond van veel gesprekken en ondersteund door secundaire literatuur – wat het gymnasium is en wat een leerling die de opleiding heeft voltooid, daaraan heeft. Waar Remie op zoek is naar een verdediging van de school uit haar jeugd, probeert Burgersdijk vooral te verklaren. In zeventien hoofdstukken, die gelezen kunnen worden als even zovele essays over verschillende facetten van het gymnasium, beschrijft hij de geschiedenis, en zoekt hij naar een plaatsbepaling. Hij schetst een levendig beeld van een zeer oude school, diep geworteld in eeuwenoude tradities, die zich telkens weer weet aan te passen aan veranderende omstandigheden. Hij legt er de nadruk op dat de geschiedenis van het gymnasium ver terug gaat. De directe voorouder was de Latijnse School, een stedelijke instelling die op haar beurt weer voortbouwde op Middeleeuwse kapittelscholen. Het lijkt logisch om in een boek over het gymnasium bij de vroegste voorgeschiedenis te beginnen, maar het lijkt net zo logisch om vervolgens in te zoomen op het eigenlijke gymnasium, dat formeel in 1876 bij de wet op het hoger onderwijs werd ingericht. Helaas maakt Burgersdijk in zijn boek geen keuze en door het ontbreken van focus raken de hoofdvragen ondergesneeuwd.

Zo worden ook zeer veel verschillende historische figuren, die direct of zijdelings iets te maken hebben gehad met gymnasiaal onderwijs, of er iets over hebben beweerd, zonder duidelijke ordening opgevoerd; zelfs de chronologie wordt losgelaten. Gebeurtenissen uit meer dan vijf eeuwen onderwijs- en ideeëngeschiedenis passeren de revue. De lezer blijft achter met een bonkend hoofd van al die feiten en namen. En wat erger is, aan het eind van het boek is het niet helder wat het gymnasium betekent en wat je eraan hebt.

Dat is jammer, want de grote achterliggende vraag of het gymnasium nog wel bestaansrecht heeft, blijft daarmee onbeantwoord. Het is nog steeds wachten op een boek dat op ordelijke wijze de geschiedenis van het gymnasium behandelt, zoals het zich heeft ontwikkeld sinds het verdwijnen van de Latijnse school en tot op de dag van vandaag overeind is gebleven tegen de stroom in.