Necrologie

Madeleine Albright: een pionier, maar zeker geen rebel

Madeleine Albright 1937-2022 De voormalige Amerikaanse VN-ambassadeur en minister van Buitenlandse Zaken was getekend door haar jeugd in het Oostblok. Ze hield er een rotsvast geloof in de VS als vlaggendrager van democratie aan over.

Oud-minister en -ambassadeur Madeleine Albright, begin 2017.
Oud-minister en -ambassadeur Madeleine Albright, begin 2017. Foto Sait Serkan Gurbuz/AP

„Van mij had het eeuwig mogen duren.” Voormalig Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright overleed woensdag op 84-jarige leeftijd. Al opereerde ze na haar vier jaar als VN-ambassadeur (1993-1997) en nadien als minister (1997-2001) nog ruim twee decennia in het internationale diplomatieke circuit en publiceerde ze zeven boeken, voor Albright was haar ministerschap de culminatie van haar bestaan.

Madeleine Albright kan gezien worden als een pionier. Geboren in 1937 in het toenmalige Tsjechoslowakije week Marie Jana Korbélova, dochter van een diplomaat, eerst voor het nazisme uit naar Londen, en vervolgens als 11-jarige naar de VS, waar ze zich met haar vluchtelingenachtergrond opwerkte tot minister. Ze was ook de eerste vrouw op deze post, wat anno 1997 groot opzien baarde, en plaveide ook in dit opzicht de weg voor anderen.

Carrière maken was voor vrouwen van Albrights generatie niet vanzelfsprekend. Springplank voor haar politieke loopbaan was haar vrijwilligerswerk in het bestuur van de eliteschool van haar dochters. Pas nadat haar man in 1982 plompverloren verklaarde te willen scheiden, kwamen haar ambities tot volle bloei. Toen ze al in de tachtig was, vloog ze onvermoeibaar de wereld rond om interviews te geven ter promotie van weer een nieuw , samen met haar speechwriter geproduceerde boek of voor de presentatie van een rapport over de mondiale stand van democratie. „Mijn carriere kwam pas laat op gang, ik ben niet van plan ooit nog te stoppen”, zei ze in 2018 in een interview met NRC.

Lees ook dit vraaggesprek met Albright (2018): ‘Ik denk niet dat Trump een fascist is’

Katten bijeendrijven

Een pionier, maar zeker geen rebel. Albright was een rasdiplomaat, een vrouw van het compromis die er steeds naar streefde de partijen aan tafel te houden. Haar boek over haar ministerschap bevat uitputtende verslagen van de dito praatsessies met de PLO-leider Yasser Arafat en de toenmalige Israëlische premier Ehud Barak op Camp David in 2000. De onderlinge chemie omschrijft ze als ‘het bijeendrijven van katten’.

Albright was daarnaast een volbloed interventionist. Ze koesterde een onwankelbaar geloof in Amerikaans exceptionalisme, waardoor zij in de jaren negentig niet twijfelde aan de noodzaak van NAVO-ingrijpen bij de bloedige conflicten in Bosnië en later Kosovo. Als VN-ambassadeur kreeg ze in het geval van Bosnië lang haar zin niet, als minister van Buitenlandse Zaken over Kosovo wel – uiteindelijk smoorden NAVO-bombardementen daar een nieuwe oorlog in de kiem.

Het leverde Albright in Pristina een standbeeld en een ‘Medlin Olbrajt-plein’ op, terwijl vooral militante Serviërs haar voortaan als een oorlogsmisdadiger beschouwden – extra pijnlijk omdat zij een deel van haar vroege jeugd in Belgrado doorbracht, waar haar vader ambassadeur was.

Zij herhaalde in tal van interviews de opmerking dat haar politieke denken gevormd was door het verdrag van München van 1938 (waarin Frankrijk en het VK zich neerlegden bij de annexatie door Hitler van het Tsjechische Sudetenland) en niet door het Amerikaanse falen in Vietnam. Ze had, kortom, de gevolgen van niet-interventie doorgemaakt, en niet, zoals haar Democratische generatiegenoten, het trauma van een mislukte interventie. Van de huidige worsteling tussen westerse democratieën met een gewelddadige, autoritaire staat, met bijbehorende interventiedilemma’s, kreeg zij alleen nog het begin mee.

Amerikaans staatsburger

Albright werd Amerikaans staatsburger op haar twintigste, in 1957. Volstrekte integratie, door niet opvallen, keihard werken en stoïcijns incasseren, was haar met de paplepel ingegoten. Buitenlandse politiek zat ‘in haar genen’ zei ze zelf. Zo richtte ze als studente aan het vrouwencollege Wellesley in Massachusetts een club op om over buitenlandbeleid te discussiëren.

Dat zij en haar medestudentes carrière zouden maken, stond allerminst vast – tijdens de colleges klonk het getik van breipennen, in de afstudeerspeeches werd benadrukt dat het huwelijk voor een vrouw de voornaamste bestemming was. Zoals veel van haar klasgenoten trouwde Madeleine Korbel een paar weken na haar afstuderen. Joe Albright, die ze tijdens een stage bij de Denver Post had ontmoet, was een steenrijke telg uit de krantenmagnatenfamilie Guggenheim-Albright. Ook na haar scheiding hoefde Albright zich over financiën nooit zorgen te maken.

Haar huwelijk bracht Madeleine binnen in elitaire kringen van Washington, al beperkte haar rol als moeder van drie meiden zich aanvankelijk tot het geven van etentjes. Ondertussen studeerde ze Internationale Betrekkingen en Russisch aan Columbia University en promoveerde ze bij de hoogleraar van Poolse afkomst Zbigniew Brzezinski, later president Jimmy Carters Nationale Veiligheidsadviseur. Als fondsenwerver voor de Democratische senator Ed Muskie kreeg ze, toen ze al een eind in de dertig was, haar eerste betaalde baan. Eenmaal aangetreden in Carters regering in 1977, vroeg Brzezinski de begaafde netwerker Albright als zijn liaison met het Congres.

Dieptepunt

Na Carters verkiezingsverlies doceerde ze enige tijd aan de Georgetown universiteit in Washington – ze zou er tot na haar tachtigste college geven. Zij beschouwde deze jaren als een dieptepunt in haar leven, met „een scheiding en [Republikeinse president] Ronald Reagan”. Maar juist deze jaren gaven haar het definitieve zetje, omdat er niets meer was dat haar tegenhield.

Steeds vaker bracht ze in plaats van procesmatig ook inhoudelijk advies uit aan Democratische presidentskandidaten, onder wie Bill Clinton. Ze was nauw betrokken bij de campagne van de eerste vrouw die in de race was voor het vice-presidentschap: Geraldine Ferraro. Toen Clinton in 1992 de verkiezingen won, hielp Albright, inmiddels een vaste waarde in de Democratische partijtop, hem zijn Nationale Veiligheidsraad samen te stellen. In 1993 benoemde hij haar tot zijn ambassadeur bij de VN.

President Barack Obama hangt Madeleine Albright in 2012 de Presidential Medal of Freedom om, de hoogste civiele onderscheiding die de VS kennen.

Foto Carolyn Kaster/AP

Haar tijd bij de VN werd vooral bepaald door het falen van de internationale gemeenschap middenjaren 90 om tijdig in te grijpen in Rwanda, om daar genocide op de Tutsi’s te voorkomen, iets wat zij later zelf als de grootste smet op haar carrière beschouwde.

Na het terugtreden van Warren Christopher als minister van Buitenlandse Zaken kon president Clinton bij zijn tweede termijn kiezen uit een handvol kandidaten, onder wie andere succesvolle diplomaten zoals Richard Holbrooke die in Bosnië het Dayton-akkoord tot stand had gebracht. Het werd Albright. Hillary Clinton zei tegen haar man: „Alleen als je Madeleine kiest, krijg je iemand die dezelfde waarden heeft als jij (…) en op wie alle meiden trots zullen zijn.” (Albright werd opgevolgd door Colin Powell, Condoleezza Rice en Hillary Clinton. Toen na die laatste twee John Kerry aantrad, grapte Albright: „Ik denk dat hij een geweldige minister wordt, ondanks zijn sekse.”)

Etnische conflicten

Albrights carrière verkeerde op het hoogtepunt in de jaren 90, een periode van enerzijds economische bloei en optimisme over democratie, anderzijds versplintering en fel oplaaiende, bloedige etnische conflicten waar het Westen geen greep op kreeg. „Het einde van de Koude Oorlog was als een gigantische verwisseling in de Europese Wasserij geweest”, typeerde ze die periode zelf in haar memoires. „Alle oude etiketten vielen weg en ieder land kreeg de kans om kleren van een ander merk te passen.”

Het toetreden van een aantal voormalig communistische landen tot de NAVO was voor Albright een persoonlijk hoogtepunt. Als kind had ze moeten vluchten voor het communisme, nu maakte ze mee hoe communistische landen de weg naar democratie insloegen.

De omwenteling kwam haar ook persoonlijk na. De opening van het Oostblok maakte onderzoek mogelijk, en een journalist van The Washington Post ontdekte vlak voor Albrights aantreden als minister dat zij Joods was – in hun pogingen tot volstrekte assimilatie in de VS hadden haar ouders dit voor hun kinderen verborgen gehouden. In de publiciteit werd Albright ervan beticht dat zij dit had willen verzwijgen, iets wat ze altijd ontkend heeft, al gaf ze wel toe dat ze het eerder had kunnen begrijpen.

Ook in haar ministersjaren was Albrights positie steevast die van een assertief multilateralisme, zo nodig uitmondend in geweld door een coalitie met de VS voorop. Ze gold als een havik, omdat zij wilde ingrijpen in verre landen waar volgens veel Amerikanen de VS niets te zoeken hadden. Zij schrok zeker niet terug voor het gebruik van geweld, maar wel onder voorwaarden: het doel moest vastomlijnd zijn, het gebruik ervan kort en proportioneel. De aanval van George W. Bush op Irak in 2003 beschouwde ze om deze reden als een blunder, al onderschreef ze het uiteindelijke doel (Saddam Hussein verwijderen) en gaf ze toe dat de Irak-politiek onder Clinton (indammen en sancties) niet eeuwig houdbaar zou zijn geweest.

In haar boeken schrijft Albright uitgebreid over al haar inspanningen relaties met politieke tegenstanders goed te houden, maar zij kon glashard zijn. Na een rampzalig incident met VN-vredestroepen, onder wie Amerikanen, in Somalië, hebben de VS in de persoon van Albright een tweede termijn van de Egyptenaar Boutros-Boutros Ghali als secretaris-generaal gevetood, voornamelijk om Republikeinen in het Congres tegemoet te komen.

Ook werd Albright lang achtervolgd door kritiek omdat zij in een tv-interview (uit 1996) bevestigend antwoordde op de vraag of een vermoedelijk half miljoen dode kinderen als gevolg van sancties tegen Irak niet een te hoge prijs waren. „Een moeilijke keuze, maar wij denken dat die prijs het waard is”, luidde het antwoord.

Nooit met pensioen

Albright werd oud genoeg om de nationalistische, soms anti-democratische backlash in het Westen mee te maken tegen het internationalisme en sterke mondiale instituties waar zij haar leven lang in geloofd en voor gestreden had.

Het schond haar geloof in democratie en kapitalisme niet, ze weet het aan ‘het voortschrijden van de tijd’ die de herinnering aan waar extreem-rechts toe kan leiden had doen vervagen. Ook lag het volgens haar aan de afgenomen kwaliteit van politiek leiders. Tegen ‘antidemocratische neigingen’ in Hongarije en Turkije moest de NAVO gewoon heel krachtig stelling nemen, schreef ze in haar laatste boek – veilig vanaf de zijlijn. Een maand geleden, vlak voor de oorlog, wist ze in haar laatste opiniestuk voor The New York Times zéker dat een invasie door Poetin een ‘historische fout’ zou zijn die de NAVO alleen maar sterker zou maken.

Albright had niet altijd door dat haar gedurende decennia gekoesterde opvattingen in een veranderde tijd niet meer dezelfde uitwerking hadden. In 2015 bracht ze ongewild presidentskandidaat Hillary Clinton in de problemen toen ze haar vaste frase herhaalde dat er „een speciale plek in de hel” is voor vrouwen die andere vrouwen niet helpen. Die impliciete veroordeling van de vele jonge vrouwen die voor Bernie Sanders’ kandidatuur hadden gestreden, werd haar niet in dank afgenomen.

Madeleine Albright ging nooit met pensioen. Lang zat ze nog in allerlei regeringsgerelateerde commissies, ze zat stichtingen voor, liet zich interviewen. Ze bleef altijd aan het werk, maar was niet te beroerd haar rol te relativeren als die van ‘a former somebody’. Ze behield haar zelfspot. In haar laatste boek vertelt ze hoe ze in de buurt van haar huis een verdwaald kinderboek op straat ziet liggen met een droevig ogende brontosaurus op de cover, getiteld All my Friends are Dead.

Haar conclusie: ik moet harder opschieten, ik moet nog zoveel doen.

Correctie (24 maart 2022): In een eerdere versie van dit artikel stond dat Albright de eerste Amerikaan was met een vluchtelingenachtergrond die het schopte tot minister. Dat is niet juist: een van haar voorgangers, Henry Kissinger, vluchtte als kind uit nazi-Duitsland. De betreffende passage is aangepast.