De overgang is niet de ondergang

Taboe De wereld keert zich af van vrouwen in de overgang, ziet , maar koestert mannen in hun ‘midlife crisis’. En dat moet maar eens stoppen.

Illustratie Claudia van Rouendal

Een vrouwenleven is best leuk. Ik zou geen mannenleven willen leiden, eerlijk niet. Maar wie vrouw is en volwassen torst met zich mee dat ze van taboe naar taboe wandelt. Ongesteld (het woord alleen al) zijn. Daar begint het mee, dat is het ene taboe. Niet meer ongesteld zijn is het andere. Ben je ongesteld, dan zorg je dat niemand het merkt (gegoochel met tampons, slinks ingenomen paracetamol). Ben je er na een jaar of 35 eindelijk vanaf, moet je je wéér generen. Want dan ben je in de overgang (het woord alleen al). En daar wil écht niemand het over hebben. Waarom eigenlijk niet? Mijn beste vriendin, we zaten samen in de klas, beweert dat ze het weet. Die zegt altijd: „De overgang is zó níet sexy.”

Dit is een stuk over dat niet sexy onderwerp en wie gaat het lezen? Mannen niet, die worden er schichtig van. Vrouwen ook niet, want het is me nogal niet een partij genant. Nachtzweet en opvliegers, slapeloosheid en bloedingen, stemmingswisselingen en een uitgedroogde vagina. Daar praat je overheen, liefst met een grap. De overgang? Bestaat niet.

Maar ontkennen heeft geen zin, iedereen weet het: rond de 51ste verjaardag houden de eierstokken het voor gezien en zijn de eitjes op: dat is het moment van de menopauze, oftewel de laatste keer dat je ongesteld bent. Leven scheppen zit er niet meer in, nu begint in het uiterlijk de dood zich af te tekenen. Dunner haar. Wallen, couperose-wangen. Wijkende lippen, afzakkende mondhoeken. Een zwaarder postuur, of juist tanig als een tak. Osteoporose met kromme schouders. En het gemene is: je hebt maar af te wachten wat het wordt. Sommigen overkomt alles, anderen bijna niks.

Altijd als ik aan de overgang denk, denk ik aan de tekenaar Piet Paris. Jaren geleden illustreerde hij Een kwestie van lef, mijn stijlgids voor vrouwen van 50-plus. Ik stuurde hem telkens een hoofdstuk en dan begonnen al snel de tekeningen binnen te druppelen. Maar bij het hoofdstuk ‘De overgang’ bleef het zo lang stil dat ik me zorgen begon te maken. En net toen ik dacht: hij is een man, hij kan er niks mee, hoe moet dat nu, kwam de mooiste tekening van het hele boek binnen: een gestileerd -mevrouwtje dat met een reuzenstap een peilloze afgrond oversteekt. Ik zag ’m en schoot vol. Ja, dacht ik. Ja, Piet, zo voelt het.

Ik zeg wat ik altijd zeg: „De overgang is niet de ondergang.”

Ik spreek een collega aan. Ze is een stuk jonger dan ik, maar oud genoeg voor de overgang. Dat bevestigt ze en ze vertelt dat ze zich duchtig heeft geïnformeerd. Ze heeft weet van bizarre verschijnselen en van overgangsconsulenten en ze prijst een bepaald boek erover aan. „Het staat achterstevoren in mijn boekenkast”, vervolgt ze. Dat vindt ze grappig en ik lach mee, want ik wil voorkomen dat ze merkt hoe maf ik dat vind. Ik dacht dat we -tegenwoordig verder waren, zeker een vrouw als zij, modern, wereldwijs, een vrije geest. En woest aantrekkelijk, ook dat nog. Waarom verstopt ze dat boek voor haar visite? Omdat het over verval gaat, zegt ze. Ze noemt de overgang een metafoor voor achteruitgang, en daar wil ze niet mee geassocieerd worden. Ik zeg wat ik altijd zeg: „De overgang is niet de ondergang.” Ze praat eroverheen. Ze geniet van de nieuwe levensfase, zegt ze, echt waar. Dat klinkt vroom maar haar geloof ik. Waardoor ik vergeet haar voor te leggen wat me opviel in de podcast ‘Vroeger waren mannen aardiger’ (NPO DOCS).

In die podcast wordt gretig door vrouwen verteld over mannen die niet meer naar ze kijken, fluiten, met ze flirten. Ze citeren routineus akelige opmerkingen van mannen over vrouwen die niet piep meer zijn. Ik denk, geef zo’n man een trap (je weet wel waar) maar zij vinden die opmerkingen logisch. Het gaat over vrouwen die accepteren dat ze niet meer -interessant zijn voor mannen, met als norm een vrouw die gewend was aan standaard mannelijke aandacht. Tot ze een jaar of 50 was, toen hield dat op. Ik begrijp de klap, dat moet een schok geweest zijn. Maar ik verbaas me over de anderen. Hoezo voelen die zich pas wat waard als ze de aandacht trekken?

Lees ook: Over de overgang praat je niet als vrouw

Het antwoord is bevestiging. Deze vrouwen voelen zich aangetast door het stigma van de onzichtbaarheid. Bestaan ze nog wel, vragen ze zich af, soms lijkt het van niet. Ik ken dat. Iets vragen en lucht zijn. Iets voorstellen en de persoon naast je krijgt antwoord. Iets zeggen en er komt pas reactie als een ander het ook zegt, precies hetzelfde. In een café begroet worden met: nou, er is vanavond weer niemand!

Niet worden opgemerkt, dat overkomt vrouwen sowieso, er bestaat tegenwoordig zelfs een term voor verbaal weggemaaid worden doordat je niet op waarde wordt geschat: man--s-plaining. En voor vrouwen in de overgang neemt dat toe. Die worden niet gezien tenzij ze hard hun best doen. En dan heten ze al snel hysterisch, schreeuwerig of zelfs aandachtsgeil.

En dan heten ze al snel hysterisch, schreeuwerig of zelfs aandachtsgeil

Waarom wekken ze zo’n weerstand? Een vrouw in de overgang is voor sommigen synoniem met het feit dat we eindig zijn. De overgang, dat is to be or not to be. Negeer zo’n vrouw en het not to be verdwijnt. Cosmetisch, maar het voelt wel zo veilig.

Onzichtbaar verklaard worden laat vrouwen niet onberoerd. Wie systematisch wordt genegeerd en/of routineus wordt uitgekotst, kruipt in haar schulp: sorry dat ik er ben, it’s only little me! Of ze verweert zich, dat gebeurt ook. Met luidruchtigheid. Met geldingsdrang. Of door vervelend te doen (dat kan heel bevredigend zijn, ik spreek uit ervaring). De meeste vrouwen is dat veel te veel gedoe, die kiezen een andere weg. Hebben ze een goed huwelijk, dan koesteren ze dat en verder onderhouden ze een vriendenkring met vertrouwde sympathiekelingen – gender doet er niet toe. En de smalende meute kan het dak op. Stilletjes pakken ze tijdens de overgang hun leven op. Zij zijn de vrouwen op wie de musea drijven. Zonder wie de theaters, debatcentra en concertzalen leeg zouden staan en de boekenbranche het wel kon schudden. De grijze plaag heten ze soms denigrerend, maar vergeet dat maar. Ze verven hun haar (grijs is voor mediterrane weduwes) en houden van hun kleren. Ze zijn studieus en goed geïnformeerd en als ze daar zin in hebben, sleutelen ze aan hun uiterlijk.

Hola. Waar zijn de mannen in dit verhaal? Die zijn er wel degelijk. Ze doorlopen hetzelfde traject, zij het niet van taboe naar taboe maar van glorie naar glorie. Dat gaat zo. Ze worden vruchtbaar, krijgen voor het eerst een stijve en ejaculeren: stoer! Ze worden 51 en hun overgang klopt aan. Die heet swingend midlife crisis. Ze zijn nu minder potent maar wel vruchtbaar (denken ze, vaak ten onrechte, maar dat is een ander verhaal) en dat zullen we weten ook: ze willen op een viriele droomreis met een motorfiets en een gitaar. Weer: stoer.

Het zijn verwarrende perioden, iedereen moet er doorheen

Maar overgang of midlife crisis, de harde waarheid blijft dat forever young niet bestaat en the long and winding road naar de dood is ingeslagen.

De wereld keert zich af van de vrouw in de overgang, zij mag niet meer meedoen. De wereld koestert mannen in de midlife crisis als spannend en zelfs ontroerend. Ook zij worden onzichtbaar, maar dan positief: hun evidente tekenen van verval worden niet gezien, die bestaan niet. En dat is onzin. Ik vind oudere mannen met een veel jongere vrouw vaak belachelijk en nog nooit zag ik er eentje wie die zwartleren broek werkelijk goed stond.

Maar ze zijn aan de beurt, net als de vrouwen. Overgang noch midlife crisis is iets om mee te spotten. Het zijn verwarrende perioden, iedereen moet er doorheen.

Ik snap dat het biologisch gezien niet interessant kan zijn om te verkeren met een vrouw van wie geen nageslacht meer te verwachten is. Ik snap niet dat het biologisch interessant zou zijn om vrouwen in de overgang af te kammen en mannen in de overgang onder hun kin te kriebelen. Dat lijken me gecultiveerde maniertjes. Daar ben ik niet van gediend. Ik ken alleen aardige mannen en aardige vrouwen. En de rest? Die verklaar ik onzichtbaar.

Intussen word ik oud. Jullie ook. Wat gaat dat betekenen, wat staat ons te wachten? Ik lees La naissance du jour (1928), de roman die Colette wijdde aan haar overgang en ouder worden. Halverwege tref ik een passage die ik direct ter harte neem. Colette schrijft: „En wat is de ouderdom dan? Dat ga ik leren. Maar als het zover is, zal ik hem niet begrijpen.”

Ik ben benieuwd.