Tieners uit de Leeuwarder wijk Bilgaard verdienen wat extra zakgeld door twee keer per week de rommel in hun buurt op te ruimen.

Foto Kees van de Veen

Interview

‘In welke gemeente je woont, maakt veel uit’, zegt de armoede-expert

Roeland van Geuns, lector armoede-interventies Naast veel landelijke regelingen, doen ook gemeenten aan armoedebestrijding. Maar die hulpverlening kan beter, ziet Roeland van Geuns. Al is dat niet altijd makkelijk.

Te weinig geld hebben om rond te komen, geeft stress. Jarenlang te weinig geld hebben om rond te komen, geeft langdurige stress. Om daaruit te komen, is gerichte hulp vrijwel altijd nodig. En dan maakt het uit in welke gemeente je woont, zegt Roeland van Geuns, lector armoede-interventies aan de Hogeschool van Amsterdam.

Toegegeven, de meeste regelingen zijn landelijk, zoals de hoogte van de uitkering en het minimumloon. De gestegen energiekosten voelt iedereen die weinig te besteden heeft, waar je ook woont. Maar buiten dat, zegt Van Geuns, is het leven in Amsterdam of Rotterdam duurder dan in een kleinere gemeente in de provincie.

Het grootste verschil zit hem in het gemeentelijke armoedebeleid, zegt Van Geuns. Dat varieert per gemeente. Bijvoorbeeld de potjes voor sportlessen en sportkleding voor kinderen, een laptop of fiets voor middelbare scholieren, geld dat je kunt aanvragen om een wasmachine te vervangen of na verhuizing meubels aan te schaffen. Veel gemeenten hebben speciale passen waarmee musea of dierentuinen gratis of tegen korting bezocht kunnen worden. „Gemeenten als Amsterdam en Utrecht hebben veel voorzieningen voor mensen met weinig geld, en het aanvragen is eenvoudig. Maar er zijn ook gemeenten die daar minder aandacht voor hebben.”

Verantwoording

In veel gevallen blijkt het aanvragen van die voorzieningen een hindernis. Er moet een stapel formulieren worden ingevuld om ondersteuning te krijgen. En er moet vaak over elk ontvangen bedrag verantwoording worden afgelegd aan de gemeente of een andere overheidsinstantie. Van Geuns: „Huishoudens die al jaren in dezelfde situatie leven, moeten telkens opnieuw aantonen dat zij recht hebben op bepaalde gemeentelijke voorzieningen.”

Dat is geen onwil van de ambtenaren, zegt hij. „Vaak zijn ze zelf goed opgeleid, hebben thuis wifi en een paar computers. Het komt eenvoudig niet bij hen op dat er mensen zijn die geen computer hebben en naar de bibliotheek moeten voor internet of een printer. Ze denken niet buiten hun eigen bubbel.”

Gemeenten zouden, zegt hij, meer moeite moeten doen om mensen die in armoede leven te bereiken. Zeker nu het leven door stijgende energieprijzen en inflatie steeds duurder wordt. „Veel wethouders zijn trots als het percentage van mensen die recht hebben op bepaalde voorzieningen en daar daadwerkelijk gebruik van maken, stijgt van zestig naar zeventig procent. Maar dat betekent dat drie op de tien géén gebruik maken van wat er is.”

Pakweg de afgelopen tien jaar is het denken over armoede veranderd, zegt Van Geuns. Het idee dat mensen arm zijn omdat ze niet met geld kunnen omgaan en de armoede aan zichzelf te danken hebben, is langzaam verlaten. „Uit onderzoek blijkt dat de meeste mensen niet arm zijn als gevolg van hun handelen. Hun handelen is veelal gevolg van hun armoede.”

Hij bedoelt dat het gebrek aan geld mensen ertoe brengt om alleen kortetermijnbeslissingen te nemen: zij kúnnen simpelweg geen rekening houden met de langetermijngevolgen van sommige keuzes, zoals een huurachterstand oplopen, omdat er eten gekocht moet worden. Het gevolg is dat hun armoede (en niet zelden hun schulden) toenemen.

Mildere schuldhulpverlening

Van Geuns ziet dat gemeenten steeds vaker dat inzicht toepassen in de praktijk. „Je kunt je afvragen hoe effectief een schuldsanering is waarbij mensen drie jaar lang op het ab-so-lute minimum leven.” Die schulden zijn vaak boekhoudkundig allang afgeschreven, zegt hij. „De spelregels zijn hard: kom je niet op een afspraak, dan word je eruit gegooid. Het idee daarachter is dat je bijzonder gemotiveerd moet zijn om uit de schulden te komen, en anders zoek je het maar uit. Een dag van tevoren bellen om aan de afspraak te herinneren of een sms sturen is voor ziekenhuizen normaal, maar voor schuldhulpverlening wordt dat als overbodige luxe beschouwd.”

Er wordt op verschillende plekken geëxperimenteerd met mildere schuldhulpverlening. Utrecht neemt het laatste jaar de aflossing over. In Amstelveen wordt geëxperimenteerd met het kwijtschelden van schulden van mensen met psychische problemen. In Rotterdam krijgen mensen één contactpersoon, die hen tot het einde begeleidt.

Daarnaast zijn er in vrijwel alle gemeenten projecten en initiatieven om mensen met schulden te helpen, bedacht door ambtenaren of opgezet door particulieren. Gevaar van alle goedbedoelde projecten rond armoede en schulden, zegt Van Geuns, is dat elke gemeente weer iets verzint. „Het is vaak onduidelijk wat het effect is van een project.”

Om mensen echt uit de armoede te krijgen, is een structurele en intensieve aanpak nodig, waarbij mensen niet alleen geholpen worden om voorzieningen aan te vragen en er een schuldenplan wordt opgesteld, maar er ook aandacht is voor opleiding, psychische problemen, budgetbeheer, werk vinden en huisvesting.

Uiteindelijk is armoede een tekort aan geld, zegt hij. Om uit de armoede te komen, moet het vrij te besteden budget omhoog. En dat kan eigenlijk alleen via de arbeidsmarkt, plus een vangnet voor wie echt niet kan werken, denkt Van Geuns. Dat is geen gemeentelijk maar landelijk beleid. Als het minimumloon en het sociaal minimum omhoog gaan en dat extra bedrag niet wordt afgesnoept door de toeslagen te verlagen, dan pas zou het kunnen lukken mensen uit de armoede te krijgen en te houden.