Burgemeester Iris Meers van Wijk bij Duurstede (links) en Sjors Fröhlich van Vijfheerenlanden.

Foto Roger Cremers

Interview

Vier burgemeesters in gesprek over media: ‘Framing zorgt soms voor een verkeerd beeld’

Lokaal bestuur en media Onder sommige burgemeesters leeft het gevoel dat journalisten uit zijn op ‘gedoe’ en dat bestuurders te weinig kans krijgen hun kant van een verhaal te vertellen. Een rondetafelgesprek.

Burgemeester René Verhulst (CDA, Ede) zal later deze middag een boswachter onderscheiden voor heldenmoed. De bewapende boa wierp zich in het Nationaal Park de Hoge Veluwe tussen een wild zwijn en een recreant. Voor het zover is, schuift hij naast zijn collega-burgemeester en partijgenoot Roger de Groot (Noordoostpolder) aan tafel om met twee NRC-journalisten in gesprek te gaan over de media.

Daar maakt hij graag tijd voor, want Verhulst wil wel eens wat terug zeggen. Als zijn gemeente (zo’n 120.000 inwoners in een uitgestrekt gebied) landelijk nieuws is, ziet hij hoe „framing” soms voor een „verkeerd beeld” zorgt. En dan is er nog wat hij „de zesde macht” noemt, kritische burgers op sociale media die er in zijn ogen een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid op nahouden. Vorige zomer, tijdens zijn vakantie, schreef hij er een boekje over, Stakende stemmen.

Collega De Groot kan zich wel wat voorstellen bij de opmerkingen van Verhulst. In zijn vorige gemeente, De Wolden, stond de voltallige wereldpers bij hem op de stoep toen in Ruinerwold een gezin ontdekt werd dat jarenlang in afzondering leefde. Dat nieuws werd in eerste instantie door de regionale omroep te stevig aangezet, meent de burgemeester. „Allemaal heb ik ze langs gehad, van Nieuw-Zeeland tot Rusland en Scandinavische kranten. Maar ze waren niet gekomen als het frame anders was geweest. Als je ‘Oostenrijk en kelder’ aan elkaar verbindt, dan komt de rest van zelf.”

Tegenover deze twee ervaren bestuurders nemen op het erf van de Eemlandhoeve in Bunschoten, waar geen hei- maar wei-sessies worden gehouden, twee zij-instromers plaats: Sjors Fröhlich (partijloos, Vijfheerenlanden) en Iris Meerts (PvdA, Wijk bij Duurstede). Meerts is een van de zogenoemde cyberburgemeesters, die aandacht vragen voor digitale ontwikkelingen, en is een opvallende verschijning op sociale media. Fröhlich was jarenlang radiopresentator en hoofdredacteur bij BNR. Ze zijn beide net begonnen in het openbaar bestuur. Verhulst en De Groot zijn eerder raadslid en wethouder geweest.

Aanleiding voor het gesprek is het gevoel onder sommige collega-burgemeesters dat journalisten uit zijn op ‘gedoe’ en dat bestuurders te weinig kans krijgen hun kant van een verhaal te vertellen. Burgemeester Gorter van Zeewolde noemde NRC recent „de fabeltjeskrant” die aan „fake news” zou doen. Tegelijk zien ook veel burgemeesters verschraling van met name lokale media.

Als Fröhlich vertelt in Vijfheerenlanden een wekelijks persgesprek te voeren met journalisten, verzucht Meerts dat ze wilde dat er genoeg lokale media waren om dat in Wijk bij Duurstede te kunnen doen. De Groot vertelt hoe hij als wethouder in Raalte eerst abonnee was van het Sallands Nieuws, dat de Zwolse Courant werd en vervolgens De Stentor. De verspreidingsgebieden werden groter, het lokale nieuws minder. Datzelfde zag hij ook in Zuidwest-Drenthe gebeuren. En de regionale omroep had in zijn beleving vooral oog voor het noorden van zijn provincie.

Raadsverslaggever

Verhulst zegt: „Vroeger had je nog de raadsverslaggever. Daar was je bang voor, wat ging hij nu schrijven?” Die raadsverslaggever was ook „het geheugen”, hield het bestuur voor dat ze „drie maanden geleden dat en dat hadden gezegd”. „Misschien” dat het ontbreken „makkelijker is voor politici”, maar hij vindt ook dat dergelijke verslagen inwoners dichtbij de politiek brachten.

Hij haalt Amerikaans onderzoek aan waaruit blijkt dat naar mate er minder verslag van het lokale bestuur en de gemeenschap wordt gedaan, inwoners zich ook minder betrokken voelen bij die samenleving, en bij de overheid. Dat informeren vindt Meerts een van de taken van de media, „nu het vertrouwen in de overheid tanende is. Juist daarin spelen jullie een rol.” En politici, specifiek burgemeesters, hebben de taak om te zorgen dat media die rol in veiligheid kunnen vervullen, „ook als het mensen niet gerieft”, zegt ze.

Het gesprek tussen de vier loopt vrijwel vanzelf, waarbij Fröhlich al tijdens het voorstelrondje zijn oude vak oppakt en de anderen vragen stelt. Als De Groot zegt dat media „de afstand tot inwoners te groot hebben laten worden”, en Verhulst zegt dat media, met name talkshows op televisie, te veel ingaan op „de waan van de dag”, zegt Frölich: „Misschien is dit mijn vroegere pet. Maar media moeten echt doen wat ze zelf willen. En als er elke dag een miljoen mensen zouden kijken naar documentaires over West-Afrika zouden ze iedere dag documentaires over West-Afrika uitzenden.”

Maar is het geen stemmingmakerij, zegt De Groot, dat media pas vlak voordat de gemeenteraad van Zeewolde moest stemmen over de komst van een datacentrum over de kwestie gingen schrijven? Zeewolde is zijn buurgemeente.

Fröhlich: „Nee, daar gá je niet over. En het lijkt me volstrekt logisch dat iets pas nieuws wordt als er wat op het spel staat.”

Burgemeesters René Verhulst (Ede) en, rechts, Roger de Groot van Noordoostpolder. Foto Roger Cremers

Talkshows

Aan tafel ontstaat een tweedeling als het gaat om de gevolgen van landelijke media. Bewust koos Roger de Groot er tijdens de eerste dagen van ‘Ruinerwold’ voor om niét naar de talkshows te gaan en wél naar een buurtbijeenkomst. Verhulst deed hetzelfde toen er vorig jaar negenhonderd geëvacueerde Afghanen naar Legerplaats de Harskamp kwamen, en daarover opstand onder omwonenden ontstond. „Ik kon overal heen. Ik ging naar de dorpsraad.”

De Groot: „Precies. Je hebt dan in talkshows ook niets te vertellen. De vraag is: voor wie doe je dat? Het zijn keuzes die je maakt, waar laat je jezelf in meetrekken?”

Verhulst: „Dat intrigeert me. Ik kan het ook verkeerd zien, misschien ben ik niet opgewassen tegen landelijke media. Misschien is dit wel het frame?”

Hij vertelt hoe hij alle landelijke media te woord moest staan, nadat NRC berichtte over een aantal gemeenten, waaronder Ede, waar onderzoekers zich bij islamitische organisaties voordeden als willekeurige ‘bezoeker’, om zo in kaart te brengen wat er in moskeeën gebeurde. De onderzoekers maakten zich niet bekend bij het observeren en schreven er rapporten vol privacygevoelige informatie over. Hij zegt: „Ik heb gezien wat dat gedaan heeft met mensen, in de politiek. Het heeft alleen verliezers opgeleverd en daarin hebben media ook een rol gehad.”

Hij zegt: „Terecht kritisch is het om te vragen: ‘Had je dat als gemeente moeten doen?’ Maar het werd gebracht onder de kop ‘undercoveroperaties in moskeeën’. Dat was het frame.” Verhulst bestrijdt een paar maal dat het om undercoveroperaties ging.

Die kop zit hem zichtbaar dwars. „Het dieptepunt was dat ik een raadsvergadering had met twee onderzoekers die onder politiebegeleiding stonden, er waren ruiten ingegooid. Puur omdat op sociale media overbleef: undercover door gemeente. Via sociale media.”

Meerts vraagt: „Hoe kwamen ze aan die framing?”

Verhulst: „Het stond zo in de krant.”

Fröhlich: „Het is vaak zo dat je verschillend naar hetzelfde kunt kijken. Dat de intentie vanuit de gemeente op zich goed is. Maar als je er anders naar kijkt, kun je informatievergaring zien als undercoveroperatie. Als je die invalshoek pakt, en die gaat in vicieuze cirkel van sociale media, dan ben je lost.”

Verhulst: „Collega’s en ik zijn nóg bezig met slepende discussies hierover.”

Meerts: „Het probleem is dat ieder zijn eigen waarheid heeft. Ik heb geleerd, dat is ook zo. Laten we dat omarmen.”

Fröhlich: „In elk geval accepteren.”

Hij vindt dat de journalistiek zijn gang moet kunnen gaan. „Als een journalist mij kritisch benadert, so be it. Ik ben heel terughoudend met een oordeel uitspreken over de journalistiek.” Journalisten zijn volgens hem ook niet verantwoordelijk voor een frame dat ontstaat.

Hij vraagt Verhulst of die de journalisten heeft aangesproken op die kop. Die zegt: „Dat heeft geen zin, het is dan al een eigen leven gaan leiden.”

Fröhlich zegt: „Het is ook wel een journalistieke reflex om te zeggen ‘de kop is niet door mij gemaakt’ [maar door de eindredactie].”

Hij vindt ook dat de media best rekenschap mogen geven wat de impact van een verhaal is, maar zich niet hoeven in te houden omdat wellicht op sociale media een verhaal of kop een eigen leven gaat leiden. „De journalist moet onvoorwaardelijk zijn werk doen.”

Meerts: „Boosheid van columnisten prima, laat maar horen. Cartoonisten, daar gaan we echt niet over.”

De Groot: „Daar zijn we het wel over eens toch?”

Burgemeester Iris Meers van Wijk bij Duurstede (links) en Sjors Fröhlich van Vijfheerenlanden. Foto Roger Cremers

Wantrouwen

Burgemeester zijn in een wereld vol ‘eigen waarheden’ blijkt niet eenvoudig. Het gesprek gaat een tijdje over wantrouwen en boosheid van inwoners. Daar hebben ze alle vier mee te maken, en ze steken de hand in eigen boezem. Over burgers die stuiten op contactformulieren zonder telefoonnummer, vastlopen en „heel erg boos” kunnen worden als een (menselijke) reactie uitblijft. Allemaal maken ze wandelingen met inwoners om soms de ergste boosheid weg te halen, om – zo zegt Meerts - „vertrouwen te geven”.

De Groot zegt: „Met #boos is het heel makkelijk om naar de pers te gaan. Een paar dagen later is dan pas de andere kant uitgezocht. Dan heb je twee keer nieuws.”

Meerts: „Iedereen is journalist geworden, met eigen kanalen. Dan is het vrij moeilijk te filteren: wat is nu desinformatie, wat is wetenschappelijk juist?”

Ze noemt als voorbeeld ‘diftar’, de gescheiden afvalinzameling. De anderen grinniken van herkenbaarheid. Meerts vertelt dat het maatschappelijk „heel gevoelig ligt”. „Je kan de weerstand gebruiken om mensen te laten meedenken, dat werkt op lokaal niveau. Wat dat betreft is het heel goed dat wij zo dicht bij de mensen staan. Den Haag is losgezongen van de werkelijkheid. Als je ziet hoe hard wij moesten kloppen voor coronaversoepelingen, om uit te leggen dat er geen draagvlak was…”

De Groot zegt dat „goede communicatie” essentieel is. Daarvoor gebruiken ze allemaal eigen (sociale media)-kanalen. Hebben ze de traditionele media dan eigenlijk nog wel nodig? „Ja zeker”, zeggen ze in koor.

Burgemeesters René Verhulst (Ede) en, rechts, Roger de Groot van Noordoostpolder. Foto Roger Cremers

Timing

Maar als het over het datacentrum in Zeewolde gaat, zegt Roger De Groot: „Als zo’n project al zo lang loopt. Twee weken voor de raadsvergadering begon het in de landelijke media. Het is ontstaan toen iemand wakker werd en tegen was, daar gingen ze op in.” NRC schreef al wel eerder over de problematiek rond datacentra.

Zelf zou hij de term ‘Fabeltjeskrant’ niet hebben gebruikt, zoals zijn collega Gorter van Zeewolde wel deed. „Daar hou ik helemaal niet van.” De Groot herhaalt de observatie die eerder in het gesprek al gemaakt werd: „Er zijn veel manieren om tegen hetzelfde feit aan te kijken.” Maar hij twijfelt wel aan de timing van de berichtgeving van landelijk media.

Fröhlich zegt: „Voor media wordt pas iets interessant als het wat groter is. Dan krijgt het momentum, en dat loopt niet parallel met ons timingsbelang.”

Meerts: „Jouw punt, Roger, is dat raadsleden zich overvallen voelden. Je probeert iets zorgvuldig te doen en de media zijn doorheen gefietst. Maar misschien is dat hun eigenstandige rol.”

Verhulst: „Zij zijn gekozen volksvertegenwoordigers. Als zij druk ervaren, voel ik me als raadsvoorzitter verantwoordelijk.”

Fröhlich: „Maar het punt is: daar gáán wij niet over.”

Zijn er onderwerpen of dossiers waarover de burgemeesters denken ‘gelukkig dat er geen journalisten naar kijken’, wil NRC tenslotte weten. Fröhlich moet lachen: „En dan willen jullie die onderwerpen nu weten zeker?” Ineens is Fröhlich weer helemaal burgemeester.

Aan het einde wil Fröhlich nog „iets leuks agenderen”. Want hij wil óók laten zien welke lokale media-initiatieven er zijn. In Vijfheerenland bestaat Koe op Zolder, Man Bijt Hond-achtige filmpjes die elke week op YouTube verschijnen. „Het heeft geen urgentie, geen nieuwswaarde. Maar het is ontzettend leuk. Mensen worden geïnterviewd met een drone.”

Correctie (28 februari): In een eerdere versie van dit artikel stond dat De Wolden in Zuidoost-Drenthe ligt, dat moet Zuidwest zijn.