Meeveren met de warmere planeet

Klimaatadaptatie Het IPCC maakt deze maandag in een rapport de balans op: past de wereld zich wel snel genoeg aan aan klimaatverandering?

Bewoners van een sloppenwijk in de Nigeriaanse stad Lagos bekijken de restanten van hun op het water gebouwde hutten, die door de politie zijn afgebroken.
Bewoners van een sloppenwijk in de Nigeriaanse stad Lagos bekijken de restanten van hun op het water gebouwde hutten, die door de politie zijn afgebroken. Foto Ndubuisi Emmanuel/Getty

Aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering werd lange tijd gezien als een nederlaag, een laatste strohalm als de mensheid niet op tijd zou voorkomen dat de aarde gevaarlijk opwarmt. De vrees bestond dat te veel aandacht voor aanpassing ten koste zou gaan van het noodzakelijk tempo van de reductie van broeikasgassen.

Inmiddels is de aarde met ruim één graad Celsius opgewarmd en zijn de gevolgen daarvan wereldwijd zichtbaar en voelbaar. Aanpassing is onvermijdelijk geworden. Daarmee is het belang van het rapport dat het IPCC, het wetenschappelijk klimaatpanel van de Verenigde Naties, deze maandag publiceert, en dat geheel gewijd is aan de gevolgen van klimaatverandering, alleen maar groter geworden.

Het rapport is deel twee uit een cyclus van vier. Afgelopen augustus kwam het IPCC voor de zesde keer sinds zijn oprichting in 1988 met een stand van zaken in de klimaatwetenschap. Daarin werd nog eens ondubbelzinnig vastgesteld dat de mens hoofdschuldig is aan de opwarming en dat overal op aarde nu al veranderingen plaatsvinden: meer droogte of juist overstromingen, meer hittegolven, zwaardere orkanen, heviger neerslag – en soms een combinatie daarvan. In april volgt het derde rapport, dat gaat over het beperken van de opwarming, Elk rapport bevat een samenvatting, die de komende jaren dient als basis voor onderhandelingen over internationaal klimaatbeleid. In het najaar volgt voor beleidsmakers dan ook nog een compacte versie van de drie rapporten.

„De politieke aandacht voor adaptatie neemt nog steeds toe”, zegt klimaatwetenschapper Maarten van Aalst. Hij is hoogleraar aan de Universiteit Twente en directeur van het Klimaatcentrum van het Internationale Rode Kruis. Van Aalst schreef mee aan het nieuwe rapport, maar zolang dat niet officieel is gepubliceerd kan hij over de inhoud niets zeggen.

„Het is nu wel duidelijk dat we helemaal geen keuze hebben: we moeten ons druk maken over aanpassing én over het terugdringen van broeikasgassen”, zegt Van Aalst in een videogesprek, voordat hij weer een vergaderdag ingaat over de punten en komma’s van het rapport. „Mensen beginnen in te zien dat de kosten van de klimaatschade flink oplopen. Aanpassen wordt goedkoper dan schade accepteren. Tegelijkertijd dringt het besef door dat de rekening van aanpassen en schade hoger wordt als we niet de uitstoot tegengaan.”

Bij de grote klimaattop afgelopen november in Glasgow stond ‘aanpassing’ daarom prominent op de agenda – vooral onder druk van ontwikkelingslanden. Er is besloten dat een groter deel van het geld dat rijke landen beschikbaar stellen voor klimaatbeleid in arme landen (100 miljard dollar per jaar, maar dat bedrag wordt nog niet gehaald) zal gaan naar aanpassing en dus niet naar vermindering van broeikasgassen.

Verlies en schade

Voor ontwikkelingslanden is dat niet meer dan een eerste stap. Zij willen ook praten over de volgende fase van het klimaatbeleid: over gevolgen van de opwarming waarvoor aanpassing te laat komt – in het jargon van de internationale onderhandelaars heet dat ‘Loss and Damage’, verlies en schade. Laaggelegen oceaaneilanden die langzaam onder water lopen gelden als iconisch voorbeeld, maar het gaat ook om gebieden die door langdurige droogte en toenemende hitte onbewoonbaar worden, om steden die getroffen worden door extreme neerslag en overstromingen, om landbouwgebieden die te kampen hebben met bosbranden.

Dit is een uiterst gevoelig thema, want meer nog dan bij aanpassing gaat het bij verlies en schade om de schuldvraag. Rijke landen, die het meest hebben bijgedragen aan klimaatverandering, zijn als de dood dat zij voor de schade zullen moeten opdraaien. In het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 is het hoofdstuk over schuld en verlies met opzet vaag gehouden, en in een toelichting wordt nog eens expliciet verklaard dat het akkoord geen enkele basis biedt voor juridische aansprakelijkheid.

Ook voor Nederland was dat laatste een belangrijk punt, zoals blijkt uit de brief die toenmalig staatssecretaris Sharon Dijksma (Infrastructuur en Milieu, PvdA) in 2016 aan de Tweede Kamer stuurde met haar oordeel over het Parijsakkoord. Ze was lovend over internationale samenwerking bij het „afwenden, minimaliseren en aanpakken” van verlies en schade, maar ze onderstreepte „dat het akkoord geen basis vormt voor schadevergoedingen en compensatieclaims”.

Volgens Van Aalst is de schuldvraag ook niet gemakkelijk te beantwoorden. „Het is lastig om vast te stellen welk stukje van de schade echt aan klimaatverandering toe te schrijven is.” Wel is volgens hem de kennis over klimaatinvloeden bij extreem weer gegroeid. „Om te zien wat de invloed van klimaatverandering op een extreme weersgebeurtenis was, zochten wetenschappers twintig jaar geleden vooral naar veranderingen in hoe vaak extremen optreden gedurende langere periode van ten minste dertig jaar”, zegt hij. „Inmiddels kunnen we met wetenschappelijke methodes statistisch bepalen hoezeer de kans op specifieke weersextremen die we nu zien gebeuren veranderd is.”

Attributiewetenschap

Toch zal deze zogeheten attributiewetenschap de vragen over verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid niet oplossen, verwacht Van Aalst. „Zelfs als je via attributie kunt bepalen hoeveel van een bepaalde schade te wijten is aan klimaatverandering, is de volgende vraag: hoeveel daarvan is wiens schuld? Kijk je naar de huidige emissies van broeikasgassen, of ga je helemaal terug tot het begin van de industriële revolutie? Dat maakt voor de verantwoordelijkheid van een land nogal uit.”

Schade door extreem weer wordt ook niet alleen bepaald door klimaatverandering, legt Van Aalst uit. „We zijn nog steeds bezig om nieuwe risico’s te creëren. Grote steden in ontwikkelingslanden groeien zo snel, dat de risico’s van een ramp daar sneller toenemen door die groei, dan door klimaatverandering. De optelsom van groei én een veranderend klimaat is de dodelijke cocktail, maar welk stukje van een ramp puur komt door klimaatverandering, valt moeilijk te zeggen.”

Stel dat er in een stad een storm langskomt die door de klimaatverandering van de afgelopen decennia 20 procent erger is geworden, zegt Van Aalst. Dan is de volgende vraag: wat is er in diezelfde tijd met de stad gebeurd? Is die gegroeid, ook al waren de klimaatrisico’s bekend? Hebben de lokale autoriteiten genoeg gedaan om de risico’s te verminderen? Was het watermanagement op orde, was de kustbescherming oké? Bestond er een waarschuwingssysteem? Waren er verzekeringspolissen om risico’s af te dekken?

De discussie over verlies en schade zal daarom nog wel even doorgaan, denkt Van Aalst. „Maar het is veruit het beste om het niet zover te laten komen. We moeten er alles aan doen om de uitstoot terug te dringen en onze kwetsbaarheid aan te pakken. Voorkomen is echt goedkoper dan genezen.”

Lees ook deze reportage van China-correspondent Garrie van Pinxteren over klimaatadaptatie