Opinie

Gymnasia elitaire bolwerken? Eerder een veilige haven voor ‘vroegbloeiers’

Stine Jensen

Het is tobben met de categorale gymnasia. De Onderwijsraad wil brede en verlengde brugklassen. Wie het keuzemoment legt bij 15 jaar, verkleint de kansenongelijkheid, zo luidt de redenering. Gymnasia zouden bovendien te elitaire, witte en welgestelde bolwerken zijn. Kan dat nog wel in deze tijd, of is ‘gymnasium-schaamte’ op zijn plaats? Onderwijsjournalist Mirjam Remie stelde afgelopen week de discussie wederom op scherp, op basis van haar zojuist verschenen boek Gymnasium. Het verhaal van een eigengereid schooltype.

Mijn zus en ik zijn een aardige casus voor het breed-of-categoraal vraagstuk. Als eeneiige tweeling sloten we dezelfde basisschool af met exact hetzelfde rapport en cito-advies (vwo). Ik ging vervolgens naar een brede scholengemeenschap (mavo-havo-vwo door elkaar in een verlengde brugklas) met Latijn en Grieks als optie in de latere jaren, mijn zus koos voor het categoraal gymnasium. Na zes jaar in een andere sociale omgeving en leercultuur, deden we hetzelfde eindexamen. Mijn zus had veel hogere cijfers dan ik, daarentegen had ik – hoera! – kennis gemaakt met een ‘bredere’ laag van de bevolking (een overschat argument voor bredere scholen, pubers trekken zich binnen die breedte terug in gelijksoortige groepjes). Ik had meegemaakt hoe kinderen werden gepest. Op het gymnasium kon je, dat hadden mijn zus en ik snel in de gaten, meer je eigenzinnige zelf zijn. Ander verschil: mijn zus schaamde zich nooit voor hoge cijfers, ik leerde al snel dat, wilde ik erbij horen, ik moest verbergen dat ik leren leuk vond.

Zeker, dit is anekdotisch (N=2), zoals velen van ons onze mening over onderwijs zullen baseren op onze eigen ervaringen en die van anderen. Toch viel het me op dat de rectoren van gymnasia uit boek van Remie precies deze zaken benoemen wanneer zij pleiten voor het behoud van categorale gymnasia. Ze stellen dat deze scholen een leeromgeving bieden voor de vroegbloeiers onder de kinderen die op de basisschool uitdaging missen („een omgeving waar het niet raar is dat je je vinger opsteekt”) plus een veilige sociale omgeving waarin het normaal is dat je net een beetje anders bent dan de rest.

De hamvraag is: is het afschaffen van gymnasia het juiste middel voor het oplossen van een maatschappelijk probleem, namelijk kansenongelijkheid in het onderwijs? Dat hangt ervan af voor wie en voor welk probleem je een oplossing zoekt. In de stukken die pleiten voor brede middenscholen, lopen vaak veel zaken door elkaar: de ratrace van presteren überhaupt – we hebben inderdaad een prestatiesamenleving gecreëerd die zucht onder de druk op Cito-scores; het nut van Grieks en Latijn, onderadvisering van bepaalde groepen, te ‘vroeg’ selecteren, en de rol van ouders. Als het probleem is dat veel kinderen pas later tot bloei komen, dan bieden middenscholen uitkomst, maar daarvoor hoef je de pas van vroegbloeiers niet af te snijden door gymnasia af te schaffen. Er bestaan immers al veel middenscholen. Als het probleem is dat gymnasia te wit, elitair en exclusief zijn, dan ligt de oplossing ook niet in het opheffen van dit schooltype, maar in de selectie die daaraan voorafgaat.

Ten onrechte wordt er ook vaak een verband gelegd tussen het afschaffen van gymnasia en de onderwaardering van vmbo. Zo wijst de burgermeester van de hoofdstad met de meeste categorale gymnasia, Femke Halsema (geciteerd in het boek van Remie), er terecht op dat er te weinig kansen zijn voor het vmbo, maar ze doet dit door kritiek te uiten op ‘Rome- en Griekenlandreisjes’: „Het is schrijnend dat gymnasia niet compleet zijn zonder Rome-reis, terwijl ze op het vmbo naar de Achterhoek gaan.” Door de ouders en kinderen van je eigen stad gymnasium-schaamte aan te praten, los je niet de onderwaardering van het vmbo op.

Voor het te verwachten grote leerniveauverschil tussen leerlingen op brede scholen wordt de oplossing door de Onderwijsraad gezocht in, jawel… ‘differentiëren’! Ga er maar aan staan als docent, die niet alleen een pedagogisch multitalent zal moeten zijn, maar zich toch ook érgens op zal moet baseren, om te beslissen wie een pluswerkje krijgt, en wie niet. De woorden van voormalig GroenLinks-Kamerlid Zihni Özdil bleven me na lezing van Remies boek het meeste bij. Hij kreeg met de hoogste Cito-score van zijn klas een havo-advies. Dankzij zijn aanhoudende vader kwam hij toch op het categorale gymnasium terecht. Özdil ziet het gymnasium juist als de motor van emancipatie voor de lagere sociale klasse. „Als je dat afschaft, de wens van links, benadeel je juist de groep voor wie je het zegt op te nemen.” Zo is het precies. Weg met gymnasium-schaamte!

Stine Jensen is filosoof en schrijver. Ze schrijft om de week een column op deze plek.