Opinie

Ruiterlijk toegeven van fouten is enige juiste reactie op onderzoek

Onderzoek Indonesië

Commentaar

Het beeld dat Nederland had van het eigen optreden in de Indonesië Oorlog (1945-1950), kantelde de laatste jaren al. Wat eens versluierd ‘politionele acties’ werd genoemd, was – zo bleek donderdag opnieuw – een koloniale oorlog waarbij sprake was van „stelselmatig en wijdverbreid gebruik van extreem geweld”, tot buitenrechtelijke executies en marteling aan toe. Ook de toen geldende ethische grenzen werden overschreden.

Het laatste staartje van de koloniale aanwezigheid in de archipel is daarmee onmiskenbaar ongemakkelijk familiebezit. Het album waarin niet naar iedere foto met trots kan worden teruggekeken, herinnering aan een periode waarin Nederland „aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond”, zoals minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot in 2005 al zei.

Maar het hele verleden, met al zijn goede én duistere momenten, definieert Nederland. Daarom is het te prijzen dat het rapport ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië’ grondig is. Dat er is samengewerkt met Indonesische historici om gebeurtenissen te interpreteren. En ook dat de onderzoekers van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies, zich niet hebben laten beïnvloeden door de emoties van belanghebbenden.

Al die emoties zijn terecht, ze bevestigen dat dit hoofdstuk van de Nederlandse koloniale geschiedenis nog niet is afgesloten. Ze kunnen er echter ook voor zorgen dat wordt weggestopt wat te kwetsend zou zijn, wat weer anderen pijn doet die met de gevolgen van deze periode moeten leven. Vooral dat niet wordt geleerd van het verleden.

Dat de conclusies van het onderzoek zonder aarzeling door de regering – kabinet en koning – zijn omarmd, laat zien dat de verantwoordelijkheid wordt genomen voor wat er in het verleden is gebeurd. Zoals premier Rutte donderdag zei: „We moeten de waarheid onder ogen zien.” En hij zei: „Het is de taak van elke samenleving in het reine te komen met het eigen verleden.”

Dat reinigingsritueel werd te lang uitgesteld. Ja, het ontbrak na 1950 aan een klimaat waarin een zorgvuldige evaluatie van het eigen optreden in Indonesië kon plaatsvinden; een eerste onderzoek – dat nu alsnog wordt uitgegeven – verdween in een la. Maar het leed van Indische-Nederlanders, Ambonezen en Chinezen werd decennialang daarna ook genegeerd als alibi van politici om de eigen verantwoordelijkheid niet onder ogen te hoeven komen.

Dat dit onderzoek pas na rechtszaken werd begonnen, laat zien hoe moeilijk Nederland het vindt om over de duistere kant van zijn verleden te denken – laat staan te praten. Daar is geen excuus voor. De Excessennota uit 1969, waarin werd gesteld dat de krijgsmacht zich „als geheel correct had gedragen”, gold - ondanks verschillende onderzoeken die het tegendeel bewezen - nog steeds als het officiële regeringsstandpunt.

Lees ook: Nederland collectief schuldig aan ‘beschamende feiten’ in Indonesië

Tot nu. Een halve eeuw later neemt de regering afstand van die conclusie. De Excessennota is „geen faire weergave” en is „ingetrokken”, zei Rutte.

Terecht legt hij, noch de drie instituten die het onderzoek deden, de schuld voor het structurele geweld bij de duizenden jonge mannen, veelal dienstplichtig, die slecht voorbereid naar Indonesië werden gestuurd om daar de orde en rust te herstellen. Zij deden hun plicht – de autoriteiten zijn verantwoordelijk voor wat er gebeurde.

‘Den Haag’, in de vorm van civiele, justitiële en politieke instanties, was zich bewust van de misstanden en keek weg. Koste wat kost moest de kolonie behouden blijven, waarbij er duidelijk geen notie was van, of werd gegeven aan, het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs. Dat de huidige regering „de volle verantwoordelijkheid voor het collectieve falen” neemt, is het enige juiste antwoord.

De vraag die overblijft, is of hier sprake was van ‘oorlogsmisdaden’. De onderzoekers hebben bewust het woord niet gebruikt. Zij wilden het extreme geweld in een bredere context plaatsen en niet ingaan op individuele zaken. De premier nam ook het woord niet in de mond, omdat het een „juridische duiding” zou zijn. Het kabinet toont zich gelukkig wel bereid om nabestaanden te compenseren via de al bestaande schikkingsregelingen.

Het ruiterlijk toegeven van fouten en het rechtzetten daarvan past bij een land dat in de wereld een rol wil spelen. Wie recht in de spiegel durft én kan kijken, kan ook anderen aanspreken. Dit eerlijker zelfbeeld hoort daarbij.