Recensie

Recensie Boeken

Waarom media vaak nepnieuws brengen aan het begin van een oorlog

Mediageschiedenis Nepnieuws is zo oud als oorlog. Alleen heette het vroeger desinformatie of propaganda. Waarom laten media zich in de eerste dagen van een oorlog steeds weer beetnemen?

Tijdens een persconferentie in Qatar op 2 april 2003 werden beelden getoond van de bevrijdingsactie van soldaat Jessica Lynch.

Tijdens een persconferentie in Qatar op 2 april 2003 werden beelden getoond van de bevrijdingsactie van soldaat Jessica Lynch.

Foto Carlo Allegri / Getty Images

Aan de vooravond van een mogelijke Russische inval in Oekraïne is Spoken van Pien van der Hoeven een goed boek om te lezen. Het gaat weliswaar over hoofdzakelijk Amerikaanse oorlogen, maar na lezing weet je weer even goed hoe wantrouwend je als nieuwsconsument moet zijn bij het horen van eerste frontberichten. Die bleken in het verleden nogal eens niet te kloppen.

Historica Pien van der Hoeven, die een proefschrift schreef over de geschiedenis van NRC Handelsblad, zet op een rij hoe media faalden in de Vietnamoorlog, de Golfoorlog en de Irakoorlog. Drie oorlogen waarin nepnieuws een belangrijke rol speelde, al heette dat toen nog desinformatie of propaganda.

Schokkend zijn de casussen alledrie. Maar de laatste is, hoewel het meest recent, waarschijnlijk het minst bekend. Daarom is het goed hier in hoofdlijnen het verhaal van soldaat Jessica Lynch nog eens te vertellen.

Eigenlijk wilde ze kleuterjuf worden. In 2001 ging ze als negentienjarige bij het leger om geld te verdienen voor haar opleiding. Op de eerste dag van de Irakoorlog in 2003 vertrok haar eenheid – die als taak had water, diesel, voedsel en munitie aan te voeren – met een konvooi van Koeweit naar Bagdad. Door oponthoud verloren ze de aansluiting met de rest van de oprukkende troepen. Per ongeluk namen ze een afslag naar Nasiriya, een strategische plaats die door de Irakezen zwaar verdedigd werd. Pas toen ze de stad al inreden ontdekten ze hun vergissing. Jessica Lynch werd met haar Humvee van de weg geblazen door een raketgeleide granaat.

She Was Fighting to the Death’ stond er twee weken later op de voorpagina van de Washington Post. Een dag eerder had het Amerikaanse leger beelden vrijgegeven van een spectaculaire bevrijdingsactie, compleet met helikoptergeratel, explosies en groene schimmen die met geweren het ziekenhuis bestormden waar soldaat Lynch terechtgekomen was. Legerwoordvoerders wilden on the record geen commentaar geven. Behalve dan: ‘America doesn’t leave its heroes behind. Never has. Never will.’

Off the record gaven overheidsbronnen wél volop details. Die stelden media de volgende dagen in staat het verhaal te vertellen van de ‘all American girl’ Jessica Lynch, opgegroeid in de heuvels van West-Virginia, die bereid was te sterven voor haar land. Liever dat dan levend in handen te vallen van de Irakezen. Ze bleef schieten terwijl medesoldaten sneuvelden. De Irakezen sloten haar in en verwondden haar met messen. Maar ze overleefde.

Het nieuws over de bevrijding van Lynch, op de veertiende dag van de oorlog, kwam op een – voor de regering van president George W. Bush – gunstig moment. De oorlog verliep niet volgens plan. Amerikaanse troepen werden niet binnengehaald als bevrijders, de tegenstand was sterker dan verwacht, en alleen al bij de slag om Nasiriya verloren 32 Amerikanen het leven. De behoefte aan goed nieuws was groot.

De media die het nieuws brachten, baseerden zich op bronnen bij de Amerikaanse overheid die, dachten ze, betrouwbaar waren. Toen later de eerste westerse journalisten ter plekke in Nasiriya navraag deden, bleek het verhaal heel anders te zijn. Lynch had niet gevochten. Haar verwondingen waren het gevolg van de crash met haar wagen. Iraakse artsen hadden haar leven gered. Ze stonden zelf bloed aan haar af. Ze legden haar, omdat ze last had van doorligwonden, op het enige antidecubitusbed van het ziekenhuis. En ze kreeg een van de laatste platinaplaten van het ziekenhuis in haar gebroken been, ten gunste van Iraakse patiënten. De staf van het ziekenhuis had zelfs geprobeerd Lynch over te dragen aan de Amerikanen, maar de ambulance die ze daarvoor gebruikten werd beschoten. Toen Amerikaanse commando’s haar bevrijdden waren alle Iraakse soldaten al vertrokken. Bij de actie werden vier artsen en twee patiënten, van wie er één verlamd was en aan een infuus lag, in de boeien geslagen. Het decubitusbed werd vernield. Lynch bevestigde later zelf: ze was géén held en ze was goed verzorgd door de Irakezen.

Vietnam

In de andere twee gevallen van nepnieuws die Pien van der Hoeven beschrijft (Vietnam en de Golfoorlog) was de impact daarvan nog groter dan in het geval van Jessica Lynch en de Irakoorlog. Vietnam begon met het Tonkin-incident: een aanval van Noord-Vietnamezen op twee Amerikaanse torpedobootjagers in de Golf van Tonkin. Die aanval heeft nooit plaatsgevonden, kwam jaren later vast te staan. En in de aanloop naar de Golfoorlog speelde het verhaal van de ‘couveuseroof’: Irakezen zouden in Koeweit-stad meer dan driehonderd baby’s uit couveuses hadden gehaald waardoor de kinderen stierven. Zoveel couveuses waren er niet eens in Koeweit-stad, bleek later. Het meisje dat hiervan een ooggetuigeverslag gaf in het Amerikaanse Congres bleek de dochter van de Koeweitse ambassadeur in de VS te zijn. Ze was niet in Koeweit toen de Irakezen daar binnenvielen, zoals ze zei, maar in de Verenigde Staten.

Hoe konden media zich zo laten beetnemen? Pien van der Hoeven ziet een paar constanten in de oorlogen die ze beschrijft. Zolang de officiële bronnen van de eigen overheid hetzelfde beweren, worden journalisten niet snel achterdochtig, schrijft ze. Tijdens de Vietnamoorlog drongen kritische geluiden pas echt door toen de politiek verdeeld raakte. Daarnaast speelt maatschappelijke consensus een belangrijke rol. Journalisten zijn ook mensen, ze hebben vaak dezelfde denkbeelden als anderen in de maatschappij. Ze zijn bijvoorbeeld ook anti-communistisch of patriottistisch. Daardoor kregen tegenstanders van militair ingrijpen na 9/11 bijvoorbeeld weinig ruimte in Amerikaanse media, schrijft Van der Hoeven.

Tenslotte wijst ze op de verkoopwaarde van (nep)nieuws. ‘Oorlog is altijd goed geweest voor hoge oplages en dito kijkcijfers en deze oorlogen vormden daarop geen uitzondering.’

Pien van der Hoeven baseert zich op onderzoek van anderen, dus echt nieuw is het allemaal niet wat ze schrijft. Maar het idee om een deze ‘spookverhalen’ achter elkaar te zetten is wel origineel. Ze doet dat op een toegankelijke manier en en passant ontkracht ze wat mythes en trekt ze verbanden. De centrale boodschap is alarmerend, niet in de laatste plaats voor journalisten: ‘We moeten constateren dat de journalistiek in alle drie de oorlogen min of meer dezelfde fouten maakte. De media hebben dan ook geen collectief geheugen voor oorlogsverslaggeving. Ministeries van Defensie daarentegen verwerken de ervaringen met media na elke oorlog in een nieuwe versie van een handboek.’