Opinie

Wie was Wekker?

Frits Abrahams

Wilhelmus Arnoldus van Oorschot – hij is een fascinerend romanpersonage en hij heeft nog bestaan ook. Omdat ik geen kenner van de Atjeh-oorlog (1873–1942) ben, las ik voor het eerst over hem in de nieuwe roman van Otto de Kat: Het uur van de olifant.

Daarna zocht ik op wat Paul van ’t Veer in zijn standaardwerk De Atjeh-oorlog uit 1969 over Van Oorschot te melden had. Van Oorschot bleek onder het pseudoniem Wekker in oktober 1907 in de kleine Haagse krant De Avondpost een serie van zeventien onthutsende stukken geschreven te hebben met de ironische titel: Hoe beschaafd Nederland in de twintigste eeuw vrede en orde schept op Atjeh. De schrijver noemde zich ‘Oud-Marechaussee-Officier van het Nederlandsch Oost-Indische Leger’.

Wekker beschreef welke wreedheden door dit leger begaan werden: het afmaken van gevangenen, het doodschieten van vrouwen en kinderen bij het doorzoeken van kampongs. Hoe meer doden, hoe beter officier, volgens Wekker. Deze bloedigste oorlog uit de Nederlandse koloniale geschiedenis zou 100.000 slachtoffers maken, onder wie duizenden vrouwen en kinderen uit Atjeh.

De artikelen veroorzaakten grote opschudding. „Waarschijnlijk zijn er nooit invloedrijker artikelen over een Indisch onderwerp in een Nederlandse krant verschenen”, schrijft Van ’t Veer. Toch resulteerden ze uiteindelijk tot weinig meer dan het ontslag van één man: overste Van Daalen, constateert Anton Stolwijk in Atjeh, een recenter boek over die oorlog.

Wekker was, zo bleek later, de 27-jarige oud-luitenant W.A. van Oorschot. Hij nam in 1907 ontslag uit de dienst, kreeg een baan bij de Staatsspoorwegen op Java en ging in 1927 met pensioen. Daarna verdween hij in de mist van de geschiedenis, waaruit hij nu opduikt in deze intrigerende roman van Otto de Kat (overigens ook een pseudoniem, van Jan Geurt Gaarlandt). Omdat over Van Oorschot verder weinig bekend is, was hij voor de schrijver een ideale figuur om fictief in te vullen.

Van Oorschot deed De Kat in de verte denken aan Multatuli, die ook indringend koloniale misstanden in Nederlands-Indië beschreef. „Ik kwam verder niets van Van Oorschot te weten”, zegt De Kat, „totdat ik me ineens zijn naam in het dagboek van mijn grootvader herinnerde. Zij waren vrienden. Dat gaf me een zekere geruststelling, want als mijn grootvader met die Wekker bevriend was, dan zou hij zelf ook wel niet een verdediger van het optreden van de KNIL zijn geweest.”

Naar die grootvader, Egbertus Gerrit Gaarlandt, modelleerde De Kat zijn tweede romanpersonage: Maxim van Oldenborgh, vriend van W.A. van Oorschot. Gaarlandt was luitenant en raakte in Atjeh zwaar gewond. De Kat laat zien hoe de vrienden hun traumatische ervaringen op het slagveld samen met de vrouw van Maxim verwerken. „Meer dan 95 procent is fictie”, zegt hij, „maar de historische context is bepaald niet verzonnen.”

Voor mij was het in de eerste plaats een boek over de psychische gevolgen van oorlogsvoering. Dat klinkt loodzwaar, maar De Kat houdt het redelijk licht door het sentiment en de sensatie te mijden. „Dokter Brouwer, bent u daar, kunt u er iets van begrijpen, valt er iets tegen te doen”, laat hij Maxim in gedachten tegen zijn zenuwarts zeggen. „En wat is dat voor een afwijking dat ik heimwee heb naar dat godvergeten Atjeh.”