Opinie

Het genadeloze regime danken we aan onszelf

Maxim Februari

Sinds de val van Kabul loop ik rond met een Afghaan in mijn hoofd. Die moet om dringende redenen Afghanistan verlaten, maar dat lukt niet. Zijn vrienden proberen de wereld een beetje schuin te houden, zodat hij als een balletje veilig in een buitenlands gaatje kan vallen, maar de Afghaan schiet steeds net langs de rand. Zo blijft hij door Afghanistan rollen.

Het zou mooi zijn om iemand de schuld te geven van de situatie, de Afghaan zelf of een van de mensen die zich zonder veel succes voor hem inzetten. De laatste tijd lijken we een effectief middel te hebben gevonden om alle problemen ter wereld mee op te lossen: je hoeft alleen maar schuld toe te wijzen waar schuld is verschuldigd. Daar hoeft geen andere oplossingsrichting meer aan te pas te komen.

En het mooiste is: het is niet heel erg moeilijk. Om de schuld op de juiste plaats neer te leggen heb je alleen een incident nodig en een naam. Dan gaat de rest verder vanzelf. „Wie? Wat zei hij precies? O, wat erg! Zeg dat nog eens? Ain’t it awful? Ja, echt verschrikkelijk. En hoe zag het er al met al uit? Beschrijf het eens? Maak er een tekening van? O, wat erg! Laat nog eens zien?”

Dit middel werkt ook probaat voor het oplossen van de grotere problemen, zoals de Toeslagenaffaire, die voorkwam uit een dolgedraaid controlesysteem. Zoals we weten was die affaire helemaal de schuld van Mark Rutte. En nadat we dat een jaar lang aan elkaar hadden bevestigd en ook hadden beaamd hoe erg het allemaal was – ‘ja, heel erg, verschrikkelijk’ – werd Mark Rutte weer premier en nam de Tweede Kamer gewoon de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden aan. Die is nog dolgedraaider.

In de beslotenheid van mijn huis ben ik het gaandeweg met niemand meer eens; dat is een lastig uitgangspunt voor iemand die vrij evangelisch gelooft in het harmoniemodel. Bij elk gesprek over misstanden komt opeens vurige stoom uit mijn oren. Ik heb er zo’n hekel aan: de groepsgewijze eensgezindheid. Het bandwagon-gedrag van degenen die een standpunt aantrekkelijker vinden naarmate meer mensen het innemen. De rijen die zich sluiten.

„En jij dan?” zeg ik honend als ik in de spiegel kijk tijdens het tandenpoetsen (in de spiegel kijken is in de mode op het moment). „Je weet best”, zeg ik boos tegen mijn spiegelbeeld. „Je weet donders goed dat bandwagon-gedrag tegenover het snob-gedrag staat van degenen die een standpunt juist aantrekkelijker vinden naarmate minder mensen het innemen.” Mijn spiegelbeeld kijkt geschrokken. „Ik een snob?”

„Hè ja, laten we het over mij hebben”, foeter ik nu in een ingewikkelde dubbele vorm van modieuze zelfreflectie en zelfverwijt. „How can I make this about me?” snauw ik. „Wat is mijn favoriete dag van de week?” „Donderdag.” „Welke acteur zou mij spelen als er een film werd gemaakt over mijn leven?” „Bill Murray.”

Maar het gaat niet over mij, sus ik, eenmaal weer rustig geworden in mijn werkkamer; het gaat over die Afghaan, die als een muis voor de plint heen en weer holt, op zoek naar het gat waardoor hij kan ontsnappen naar een land waar hij niet aanhoudend gevaar loopt. Zijn vrienden, die het muizengat vanaf de andere kant proberen te vinden, krijgen volop hulp van onbekenden. Iedereen belt in het rond om te kijken waar het gat zit.

Als iets me is duidelijk geworden in het afgelopen half jaar, is het wel de onbuigzaamheid van structuren en systemen. Aan de individuele inzet ligt het niet dat het muizengat onvindbaar blijft. Het is de bureaucratie die dwarsligt: het genadeloze regime dat we zelf hebben opgesteld om de wereld beter te maken. De behulpzame officials willen wel, maar ze mogen niet, het is hun bevoegdheid niet. Ze lopen net zo hard met hun kop tegen de plint als de Afghaan aan de andere kant.

Om de menselijke maat in het oog te houden en de rigiditeit van de wet te corrigeren moeten rechters meer bevoegdheid krijgen, heeft de Raad van State onlangs bepaald. Dat als reactie op conclusies uit de Toeslagenaffaire. Maar onder de Nederlandse burgers is dat corrigeren geen populaire gedachte, want volgens onderzoek in opdracht van de Rijksoverheid vindt slechts 22 procent van hen de menselijke maat bij controle op uitkeringen van belang. In het wilde weg iemand de schuld geven heeft officieel prioriteit voor vier van de vijf Nederlanders.

Het is die democratische hang tot lynchen die ons steeds dieper doet zuchten onder het juk van onverstandige wetten en rigide systemen. Mijn brievenbus zit vol suggesties van organisaties die strenger toezicht willen en nieuwe regels voor alles. Ik ben het er niet mee eens, maar daar zal ik de wereld niet mee veranderen. Ik zou al blij zijn met één muizengaatje voor één Afghaan.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.