Pengantin Revolusi (Bruid van de Revolutie), 1957 (detail).

Hendra Gunawan

‘Revolusi!’ in het Rijksmuseum lijkt vooral bezig met het hyperbewust distribueren van sympathie (●●)

Expositie In het Rijksmuseum opende vrijdag de beladen tentoonstelling Revolusi! Indonesië Onafhankelijk, over vier jaar vrijheidsstrijd tegen de Nederlandse koloniale bezetter. „Het lukt de tentoonstelling dan ook niet om de balans te behouden.”

De inleidende muurtekst bij de expositie Revolusi! Indonesië Onafhankelijk vat uiterst bondig de historische band tussen Nederland en de Indonesische archipel samen („meer dan drie eeuwen van koloniale bezetting door Nederland”), en omschrijft al even beknopt de inhoud van de tentoonstelling. „Ervaringen en ooggetuigenverslagen” moeten inzicht geven „in deze belangrijke geschiedenis, voor Indonesië, Nederland en de wereld”. Dat is een forse afsluiter, maar niet vreemd voor een tentoonstelling met een uitroepteken in de titel. Het meest bepalend is deze zin: „Revolusi! gaat over mensen in de onafhankelijkheidsstrijd (1945-1949)”. Door de dekolonisatie geen tijd te gunnen vóór die vierjarige periode, bakent het Rijksmuseum zijn schets van het Indonesische streven naar vrijheid en zelfbeschikking rigoureus af.

Een beslissing die de eerste zaal onmiddellijk benadrukt met de projectie van foto’s van Soekarno die op 17 augustus 1945 voor een bescheiden menigte de Proklamasi voordraagt, die afkondigt dat Indonesië als onafhankelijke republiek verdergaat. Soemarto Frans Mendur was de fotograaf, een ooggetuigenverslag dus, passend binnen de kaders van de tentoonstelling, maar zonder voorkennis is weinig meer te zien dan grofkorrelige mensen van ver en vroeger die in iets ambtelijks verwikkeld lijken.

Zonder voorkennis is in de eerste zaal weinig meer te zien dan grofkorrelige mensen van ver en vroeger die in iets ambtelijks verwikkeld lijken

De volgende zaal, opnieuw oplichtende foto’s op de muur, jonge mannen deze keer, beelden uit het vriendenboekje van Sutarso Nasrudin, die eind 1948 is gevangengenomen en later geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Het vriendenboekje werd een inlichtingenbron, het is niet duidelijk wie van Nasrudins fotogenieke kameraden uiteindelijk ook zijn gepakt. De volgende ruimte bevat de enige uitstap naar een wereld na 1949, een zaalvullende installatie van de Indonesische kunstenaar Timoteus Anggawan Kusno (1989). Hangende batik vaandels met gebeden, lege schilderijenlijsten met de namen van voormalige gouverneurs-generaal als Rochussen en Van der Wijck, hondachtige wezens met een gouden vacht of kop, een vliegend wezen met verwrongen trompetten als staart: een didactisch werk van een getalenteerde kunstenaar, maar zo opzichtig redelijk en on topic dat inclusie van deze installatie de verdenking van een veilig afvinken op zich laadt.

De thematische titels van de zalen beginnen op te vallen. Rood-Wit, We Zijn Een Vrije Natie, Geweld, Informatieoorlog, Oorlog en Diplomatie, Kunstenaars en Revolutie: ze klinken als de titels van hoofdstukken in een schoolboek. Toch wordt er geen geschiedenisles gegeven, daarvoor is de opzet te fragmentarisch, te impliciet, de getuigenissen zijn in zichzelf gekeerd, worden niet aan grotere verbanden of verhalen gehecht. De drager die de curatoren uit Nederland en Indonesië uiteindelijk hebben ingezet om informatie over de revolutie te communiceren, blijkt de emotie. Via inbeelding en inleving naar inzicht, van uitgelokt gevoel naar verhoopte gedachte, een alomtegenwoordig concept, een cliché inmiddels. In de catalogus beschrijft conservator Geschiedenis van het Rijksmuseum Harm Stevens de gehanteerde tactiek zo: „Lezer en bezoeker kijken door de ogen van de mensen die de revolutie meemaakten en worden zo uitgenodigd voortdurend de bakens te verzetten.” Welke bakens? De politieke of morele? De tentoonstelling lijkt vooral bezig met het hyperbewust distribueren van sympathie.

Dit zorgt voor merkwaardige samenvoegingen en omissies. In de zaal gewijd aan Geweld valt als eerste een hoge vitrine op met een jurk op een paspop, een zonnige huisjapon van zijden landkaarten, gemaakt in 1945 door Jeanne van Leur-de Loos na twee jaar Japanse internering. De japon en het verhaal erachter stralen veerkracht en een opwekkend improvisatievermogen uit, maar het is een wonderlijk object in een opstelling gewijd aan geweld, zeker ook omdat Van Leur-de Loos vroeg in 1946 de roerige dekolonisatie achter zich laat en naar Nederland vertrekt. Het babyboek van Laetitia Kwee, de foto van haar gezin met Javaanse hulp in de sneeuw; de getypte, vergeelde lijst met namen van alle mensen die tussen 10 en 12 oktober 1945 zijn vermoord in de plaats Tegal; de cartooneske tekeningen van artist correspondent Tony Rafty van soldaten, politiemensen en evacués; de zwart-wit filmbeelden van de aankomst van het Britse leger, van „revolutionaire activiteit” op straat, van de vrijlating van kampbewoners, van pemoeda’s (jonge strijders) met speer en zwaard. Deze getuigenissen lijken vooral gevoelens te moeten mobiliseren, ze roepen geen context op die het geweld, de concrete vernietigende uitwerking van politieke en sociale omstandigheden, van destructieve loyaliteiten, werkelijk verbeelden of belichten.

Terug naar het vriendenboekje van Sutarso Nasrudin. Met wat extra uitleg, met net wat meer chronologische ruimte, zou de verzameling foto’s van die charismatische knapen het specifieke geweld tijdens de dekolonisatie van de late jaren veertig kunnen verhelderen. Er bestaat een andere foto van zelfbewuste, poserende jonge Indonesische heren, geschoten in Den Haag in 1927. Een vijftal strak in het pak, allemaal leden van de Perhimpoenan Indonesia, de antikoloniale, nationalistische studentenvereniging voor Indonesiërs in Leiden, een van hen is de latere eerste vicepresident van de Republiek, Mohammed Hatta. Niet verwonderlijk dus dat twintig jaar later jonge Indonesiërs zo overtuigd kunnen zijn van hun centrale rol in hun eigen toekomst, hun zelfbewustzijn is years in the making. In de kracht van hun leven stuit hun strijdvaardigheid op jonge Nederlandse mannen, die na eeuwen koloniaal dehumaniseren een minderwaardige, lelijke ander verwachten, maar geconfronteerd worden met aantrekkelijke leeftijdgenoten in moderne kleren. Het charisma van de ander werkt dan als een beschimping, wat het verlangen vergroot om die donkere, spottende lichamen fel te bestoken.

Sympathie valt niet straffeloos te verdelen, het lukt de tentoonstelling dan ook niet om de balans te behouden. De zaal Informatieoorlog toont slechts de propaganda van Indonesische zijde, niet de Nederlandse. In Oorlog en Diplomatie liggen in een vitrine een hesje, hoofdkussentje en luier gemaakt van linnen boekomslagen voor baby Merapi. Het ontbrak haar moeder Julia Nelisse aan stof, omdat die opging aan de lijkwaden voor alle dodelijke slachtoffers veroorzaakt door ‘revolutionair geweld’ die aanspoelden via het plaatselijke riviertje in Midden-Java. Aangrijpend materiaal, toch ontstaan er ook vragen. Kregen alle lijken dezelfde behandeling? Gingen de doden voor op alle levenden of alleen voor Julia Nelisse en anderen zoals zij? In de buurt hangt overigens het hoogtepunt van Revolusi!, een collectie aquarellen van Mohammed Toha Adimidjojo, die op z’n elfde van zijn leraar Dullah, toen een bekende sociaal-realistische schilder, opdracht kreeg de Nederlandse bezetting van zijn woonplaats Yogyakarta vast te leggen. De dekselse Toha is duidelijk begaafd, in zelfverzekerde streken en uitgekiende composities brengt hij de vervolging en strijd die hem omringen tot leven.

Lees ook: Indische gemeenschap zet zich emotioneel schrap

Een andere favoriet is in de zaal Kunstenaars en Revolutie een schilderij door Otto Djaya getiteld Pembrontak, een krachtig beeld in expressieve kleuren van drie revolutionairen in vol gewapend ornaat. Het schilderij heeft al eerder in een Nederlands museum gehangen, in 1947 in het Stedelijk Museum als onderdeel van de tentoonstelling Twee Indonesische schilders, een politiek statement van toenmalig museumdirecteur Willem Sandberg, het soort progressieve gebaar waar het Rijksmuseum in 2022 nog niet aan toe lijkt. In zijn voorwoord bij de catalogus noemt directeur Taco Dibbits Revolusi! „geen eindstation”. De geselecteerde objecten en getuigenissen lijken aan te sturen op een zo gemeenschappelijk mogelijke bijval voor dit nog altijd pijnlijke, controversiële en confronterende deel van de Nederlandse geschiedenis. Ze vormen samen zo’n voorzichtig begin dat de tentoonstelling de indruk van een schijnbeweging wekt.

Een laatste voorbeeld. Een filmfragment, KNIL-soldaten controleren een auto van enkele vertegenwoordigers van de Republiek. Een witte officier zwaait naar de cameraman, gebaart dat die moet ophouden met filmen, de opname stopt prompt. Het Rijksmuseum heeft verzuimd te duiden wat hierna gebeurde.

Beschrijvingen objecten: Kester Freriks