Recensie

Recensie Boeken

De paddenstoel als symbool van ‘leven op de ruïnes van het kapitalisme’ (●●●●●)

Paddenstoelen Anna Lowenhaupt Tsing schreef een fascinerend boek over een paddenstoel, die een symbool werd van vrijheid, maar ook van de handel tussen Oost en West.

Foto getty Images
Foto getty Images

Ergens in Oregon, kamperen midden in de wildernis immigranten uit Laos en Cambodja, ooit gevlucht voor oorlog en misère. Iets verderop hebben Vietnam-veteranen hun kamp opgezet, op de vlucht voor hun eigen oorlogstrauma’s. Beide groepen zoeken in de uitgestrekte bossen naar vrijheid. Om hier te komen moet je de wegen kennen, met Google Maps vind je het niet. Bepaalde delen van het aangrenzende bos mag je niet betreden, sommige behoren tot het territorium van iemand anders. Maar dat maakt niet uit. In het bos gelden geen regels, behalve die van de vrijheid.

En die vrijheid heeft de vorm van een paddenstoel: de matsutake. In Japan geldt hij als een delicatesse, een geliefd geschenk om relaties en reputaties te onderhouden. Dat komt door zijn bijzondere geur en smaak, maar ook door zijn sentimentele waarde. Matsutakes zocht je vroeger samen met je grootouders in het bos achter hun boerderij. Hij is in het culturele geheugen van Japan onlosmakelijk verbonden met familie, natuurschoon en het verleden.

Symbool van vrijheid

Tegenwoordig worden de kostbare matsutakes vooral in de VS opgespoord, en wel als levensonderhoud. Een professie kun je het niet noemen, al moet een plukker beschikken over specifieke expertise: kennis van het bos, een geoefende blik, en geduld en doorzettingsvermogen. Eigenschappen die de vluchtelingen en veteranen delen. Wat de paddenstoel teruggeeft is de vrijheid, al betekent die ook een bestaan in onzekerheid.

De matsutake speelt de hoofdrol in De paddenstoel aan het einde van de wereld van de Amerikaans-Chinese antropologe Anna Lowenhaupt Tsing. Hij fungeert als symbool van vrijheid en van de handel tussen Oost en West, maar ook van het ‘leven op de ruïnes van het kapitalisme’. De fungus groeit namelijk bijzonder goed in bossen die opgebruikt en uitgeput zijn, eerst door de industriële bosbouw, later door slecht onderhoud, zij het met goede intenties.

Dat geldt ook voor de bossen die Tsing bezoekt in Japan en China. Met het oog op een zo hoog mogelijke houtproductie zijn zij in de twintigste eeuw getransformeerd tot industrie. De bomen werden losgekoppeld van het bos en daarmee ook van de diversiteit aan boomsoorten, dieren en fungi die voor hun overleven noodzakelijk is. Het resultaat was het omgekeerde van wat de bedoeling was: de bossen stierven en de houtproductie verplaatste zich naar Zuidoost-Azië.

In de achtergelaten bossen ontstond echter de perfecte voedingsbodem voor de matsutake, er kwam letterlijk ‘leven op de ruïnes van het kapitalisme’. Rondom dat leven ontstaat vervolgens nieuwe handel. Tsing volgt de hele productieketen, van het ene eind van de wereld naar het andere. Ze laat zien hoe zo’n keten altijd is samengesteld uit verschillende samenwerkingen, menselijke én niet-menselijke. Mensen werken samen met het bos, de bomen met fungi, vogels en knaagdieren, bacteriën en branden houden de productie gaande. Verstrengelde relaties die bij elkaar de planeet omspannen.

Sinds de publicatie in 2015 is De paddenstoel aan het einde van de wereld een groot succes. Het lezerspubliek groeit op ongekende wijze door. Het boek werd al direct bewonderd en aangehaald door zowel academici, kunstenaars als activisten, waarmee het door de grenzen van het vakgebied en de academie breekt. Het succes zal niet in de laatste plaats te danken zijn aan Tsings heldere stijl, die nu ook in het Nederlands voortreffelijk tot zijn recht komt in de vertaling van Janne Van Beek. Haar manier van vertellen is non-lineair, vaak persoonlijk en essayistisch. Tegelijk is dit onmiskenbaar een wetenschappelijk werk – het behandelt de methodologie en de relevante literatuur – maar de lezer verdwaalt geen moment.

Dat komt ook doordat Tsing steeds weer terugkeert naar concrete verhalen. Bijvoorbeeld bij het mondiale kapitalisme, dat geboren wordt in lokale geschiedenissen, zoals die van de plukkers van verschillende landen en met diverse achtergronden. De pluk levert niet alleen geld op, maar blijkt een activiteit geladen met betekenis.

Apocalyptisch doemverhaal

In het kapitalisme wordt precies dit soort betekenisvolle activiteiten omgezet in economische waarde, aldus Tsing. Een productieketen functioneert naar behoren als die onze vrijheidsdrang, eergevoelens of sentimentaliteit vertaalt in iets wat doorgestuurd kan worden naar een volgende schakel. In het geval van de paddenstoelen vindt de eerste vertaling plaats in de kraam van de opkoper, dan volgen veilingen, verschepingen, handelaren, tot aan de Japanse zakenman aan toe die een geschenk zoekt voor een hogergeplaatste. Het beeld dat hieruit oprijst is niet dat van een machinaal, eenduidig systeem, dat je misschien voor je ziet als je denkt aan waardeketens of wereldhandel. Integendeel, het mondiale kapitalisme blijkt aan elkaar te hangen van patches, vertalingen en de bijbehorende miscommunicaties.

Lees ook: Ook de truffel is een kanarie in de kolenmijn van het klimaat

In haar eerdere werk Friction: An Ethnography of Global Connection richtte Tsing haar vergrootglas al op dit soort lokale praktijken die de schakels van een mondiale keten uitmaken – in dat geval cirkelend rond de regenwouden van Indonesië. Met de specifieke productieketen van de matsutake, kan Tsing laten zien hoe verstrengeld verwoesting en nieuw leven zijn. De matsutake was eerst nagenoeg verdwenen door de houtindustrie en kon vervolgens terugkeren door de ruïnering ervan.

Daarmee schotelt Tsing ons geen apocalyptisch doemverhaal voor, maar een onvoorspelbare geschiedenis in wording, die nog vele kanten op kan. Het levert een wervelende leeservaring op, die je op vrijwel elke bladzijde trakteert op puntig geformuleerde inzichten en verrassende vergezichten. Nu is in de afgelopen jaren het apocalyptische ‘einde van de wereld’ een stuk dichterbij gekomen – reden te meer om serieus na te denken over de voorwaarden voor overleving. Volgens Tsing moeten ruïnes, verwoesting en onzekerheid daar onderdeel van zijn, net als verregaande samenwerking met de niet-menselijke schakels in de productieketen die ‘leven op Aarde’ heet. Wie de paddenstoel tot het einde van de wereld is gevolgd, weet dat niet alle hoop verloren is.