Opinie

Het recht wordt te vaak gebruikt om het redelijke debat te saboteren

Blog Recht en Bestuur Aangifte doen tegen wie jouw visie niet deelt, ondermijnt het debat en leidt tot zelfcensuur. Die conclusie trekken drie wetenschappers uit de Bersiap-kwestie.

Een 3D-aangifteloket van een onbemand politiebureau in Rotterdam.
Een 3D-aangifteloket van een onbemand politiebureau in Rotterdam. Foto Robin Utrecht

In de controverse rond het gebruik van de term ‘Bersiap’ is tot nu toe geen aandacht geweest voor de instrumentele wijze waarop het recht wordt ingezet om een redelijk debat te saboteren, door radicale groepen aan de flanken van deze turbulente discussie. Deze juridische vorm van militant activisme past in een breder patroon van pogingen tot criminalisering van bijdragen aan publieke en academische discussies.

De controverse begon met een opiniestuk van de historicus Bonnie Triyana, de Indonesische gastcurator van de tentoonstelling Revolusi! die binnenkort in het Rijksmuseum opent. Hierin betoogde hij dat de term in de tentoonstelling niet zou worden gebruikt, omdat deze geen recht doet aan de complexe periode na de Japanse capitulatie. De term zou een beperkt en eenzijdig Nederlands perspectief op de gebeurtenissen geven en zo racistische stereotypen van Indonesiërs bevestigen.

Verontrustende tendens

Dit was voor de Federatie Indische Nederlanders (FIN) aanleiding Triyana aan te geven wegens groepsbelediging. Vrijwel gelijktijdig verkondigde het Rijksmuseum de term juist niet in de ban te doen. Niet lang daarna kondigde het Comité Nederlandse Ereschulden (KUKB) aan aangifte te doen tegen het museum vanwege discriminatie en groepsbelediging omdat de term ‘Bersiap’ weer wél zou worden gebruikt.

Lees ook de reacties naar aanleiding van de Bersiap-kwestie: Bersiapontkenning is kwetsend en werkt averechts

Er liggen nu dus aangiftes tegen zowel het gebruiken als het niet gebruiken van de term ‘Bersiap’ in de tentoonstelling van het Rijksmuseum: in beide gevallen zou er sprake zijn van crimineel handelen. En hoewel het uiterst onwaarschijnlijk is dat het Openbaar Ministerie zal overgaan tot vervolging in deze zaken, leggen de aangiftes van deze partijen een verontrustende tendens bloot die de afgelopen jaren lijkt te intensiveren.

De maatschappelijke verwerking van het koloniale verleden in het algemeen en de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog in het bijzonder verloopt via maatschappelijke en academische discussies die er soms heftig aan kunnen toegaan. Ook de geschiedwetenschap zelf ontwikkelt zich in een voortdurend debat tussen concurrerende interpretaties van historische gebeurtenissen. Dit zagen we ook de afgelopen weken, toen historici als Henk Schulte Nordholt, Remco Raben en Lara Nuberg Triyana bijvielen en wetenschappers als Peter Keppy en het Rijksmuseum bij monde van directeur Taco Dibbits en conservator Harm Stevens Triyana’s standpunt bekritiseerden.

Ondermijning open debat

Direct juridische stappen ondernemen tegen mensen of instellingen die jouw visie op de geschiedenis niet delen, ondermijnt – tenzij er iets heel bijzonders aan de hand is – de randvoorwaarden van een open en respectvol democratisch publiek debat. Dan wordt het recht misbruikt om andersdenkenden monddood te maken. De juridische aanklachten van zowel de FIN als de KUKB zijn niet alleen gebaseerd op onterechte aannames: geen enkele historicus of culturele instelling ontkent de massamoorden die zijn gepleegd direct na de proclamatie van de Republiek of probeert deze te verdoezelen.

Lees ook: Bersiap: een debat dat om meer feiten en meer stemmen vraagt

Maar belangrijker vanuit het oogpunt van een open en dynamisch debat over het gedeelde verleden, is dat deze verwoede pogingen om het standpunt van de ander te criminaliseren ervoor zorgen dat het debat gekaapt en verstoord wordt door mensen die niet willen luisteren. Met als gevolg dat degenen die een redelijke discussie willen voeren die discussie voortaan uit de weg gaan, niet alleen uit angst voor bedreigingen, maar ook omdat zij niet verzeild wensen te raken in tijdrovende en zenuwslopende juridische procedures, via de rechter of wetenschappelijke klachtencommissies. Ook uit eigen ervaring weten wij hoe de juridisering van inhoudelijke bijdragen aan gevoelige maatschappelijke discussies bij wetenschappers en anderen tot zelfcensuur kan leiden.

‘Lawfare’

De aangiftes tegen historicus Bonnie Triyana en het Rijksmuseum vormen geen uitzondering. Wie onderzoek doet naar en zich uitspreekt over in het bijzonder de periode rondom de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van 1945-1950 kan steevast rekenen op juridische stappen van verschillende Nederlandse groepen en personen. Het afgelopen jaar is er binnen de wetenschap veel gesproken over academische vrijheid. De KNAW kwam nog geen jaar geleden met het statement dat wetenschappers in vrijheid, rekening houdend met de principes van wetenschappelijke integriteit en de betrokkenen bij hun onderzoek, hun bevindingen naar buiten moeten kunnen brengen.

Die vrijheid en daarmee het open publieke debat worden reëel bedreigd als wetenschappers zich voortdurend moeten weren tegen juridische aanklachten en daarbij weinig of geen steun ondervinden van de instellingen waarbinnen zij werkzaam zijn. De aangiftes in deze zaak lijken lachwekkend. Maar zij zijn een symptoom van een vorm van ‘lawfare’ die de potentie heeft het redelijk debat te ondergraven en daarmee zowel de ontwikkeling van historische kennis als de collectieve verwerking van een traumatische periode in de Nederlandse en de Indonesische geschiedenis in de kiem te smoren.